Financiële kinderopvang-planning loont

De moeder die dubt of ze haar kind tijdens haar werk ter opvang zal achterlaten, piekert meestal niet over geld, maar vooral over de keuze tussen kinderdagverblijf, gastouder, oppas thuis, au pair of familie. Die achteloze houding over opvangkosten is niet altijd terecht. Wie zich waagt in het woud van voortdurend veranderende financiële en fiscale opvangregels, kan voordelen behalen. Dat vraagt wel wat doorzettingsvermogen: niet elk opvangadres is even duur, niet elke werkgever betaalt of zorgt voor opvang, niet iedereen is in loondienst en niet iedereen denkt gelijk over de interpretatie van fiscale regels. “Er zijn heel veel varianten mogelijk”, weet drs. Anoesjka Dinjens, directeur van de Stichting UK in Amsterdam. “Omdat alles zo ingewikkeld, veranderlijk en nieuw is, ontbreekt het mensen vaak aan inzicht om alle mogelijkheden te benutten.” Wie in de 'opvangmarkt' duikt, stuit op au pairs, oppassers, kinderdagverblijven en gastouders. Alleen de laatste twee ziet de fiscus als officiële dienstverleners.

De jaarkosten van fulltime opvang in een crèche lopen uiteen van zo'n ƒ 17.500 voor door gemeentes gesubsidieerde instellingen tot ƒ 22.000 voor sommige particuliere initiatieven. Gemeentecrèches zijn voor mensen die in aanmerking komen voor een subsidieplaats. Per gemeente kunnen de toelatingscriteria verschillen. De wachttijden kunnen oplopen tot wel twee jaar. Dinjens verwacht overigens dat het huidige subsisiesysteem zal gaan verdwijnen. “Ik denk dat subsidies voor kinderopvang in de toekomst, net als huursubsidie, per persoon aangevraagd kunnen worden. Ouders met subsidie zijn niet meer gebonden aan gemeentelijke instellingen. Ze kunnen bij elk kinderdagverblijf terecht.”

In de praktijk belopen de opvangkosten per kind vaak veel minder dan ƒ 17.500 tot ƒ 22.000 per kind per jaar. De gemiddelde erkende ouders(s) brengt haar kroost namelijk geen vijf, maar twee tot drie dagen per week naar een crèche. Per uur komt dat uit op ƒ 7,50 tot ƒ 8,50. Kinderdagverblijven bemiddelen vaak ook bij opvang door een gastouder. Dat is iemand die in haar eigen huis drie à vier kinderen onder haar hoede neemt. Voor de bemiddeling tussen ouder(s) en gastouder vraag het kinderdagverblijf eenmalig ƒ 2500 tot ƒ 2900. Daarnaast krijgt de gastouder ƒ 4,50 tot ƒ 5,50 per uur. Bij vijf dagen opvang per week kan gastouderschap dus een voordelig alternatief zijn voor een crèche, maar in de praktijk van twee tot drie dagen opvang per week zijn beide vormen ongeveer even duur. Of dat zo blijft is overigens de vraag, meent Dinjens. “Er zijn discussies over een officiële loonregeling voor gastouders. Dat zou de categorie opvang prompt veel duurder maken.”

Ouders die gebruik maken van officiële kinderopvang kunnen op twee manieren te maken krijgen met de fiscus. Betalen ze de kinderopvang zelf, dan kunnen ze die, rekening houdend met een inkomstenafhankelijke drempel, van hun inkomen aftrekken als buitengewone lasten. Voor onzuivere inkomens vanaf zo'n ƒ 90.000 is die aftrek overigens meestal nihil. Werknemers die kinderopvang regelen via hun baas hebben te maken met andere fiscale regels. In het algemeen betaalt de werkgever de opvang.

De werknemer betaalt een ouderbijdrage, gebaseerd op de netto-inkomens van beide verzorgers. Het verschil tussen de kosten die het bedrijf voor opvang maakt en de ouderbijdrage is beneden een inkomensafhankelijke drempel belast. Dat pakt fiscaal vaak gunstiger uit dan aftrek als buitengewone lasten: de drempelbedragen zijn lager en niet afhankelijk van inkomen van de echtgenoot, en voor de vergoeding boven de drempelbedragen geldt geen maximum. Een financieel slimme (potentiële) ouder stuurt dus aan op een baan bij een opvang-vriendelijke organisatie. Dinjes: “Behoorlijke regelingen vind je vooral in sectoren waar veel vrouwen werken.” Werknemers, ook vaders, bij bedrijven zonder regeling raadt Dinjes aan zich niet zomaar bij die situatie neer te leggen. “Kijk of je, eventueel via de ondernemingsraad iets kunt organiseren. Dat levert regelmatig iets op.”

Een zelfstandig ondernemer met een bv kan kiezen tussen opvang als particulier of als bedrijf. In het laatste geval mag zij of hij tegenwoordig maximaal twintig procent van de nettokosten aftrekken van de te betalen loonheffing. Ook mag hij de kosten van opvang ten laste brengen van de winst. Dinjens: “Zeker voor zelfstandigen is het raadzaam de Belastingdienst over de regels te peilen en uit te zoeken welke financiële vorm het voordeligst is.”