Eerst erbarmen, dan pas eitjes en een ontbijt

Het loopt tegen Pasen, het feest van de verlossing en wederopstanding. Het is geen feest waar de meeste mensen veel gedachten bij hebben. Er horen paaseitjes en -ontbijten bij, maar de kerken stromen, anders dan in de kerstnacht, niet vol. Wel, en dat is eigenlijk verbazend, laten heel veel mensen zich jaar in jaar uit het verhaal van de laatste dagen van Christus' leven vertellen, of toezingen eigenlijk, door de Matthäus of de Johannes-Passion. Zodat er weer eens aanleiding is om te zuchten wat de wereld toch zou zijn zonder Bach. 'De stilte van de wereld voor Bach', dichtte de Zweed Lars Gustafsson ooit, die zich daarbij onder andere voorstelde: 'Eenzaam gelegen kerken/ waar de sopraanstem uit de Johannes Passion/ zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde/ rond de mildere windingen van de fluit'. De wereld zonder Gustafsson zou ook wel iets missen.

Bach dus en de Matthäus-Passion. Prachtige muziek, wat een belangrijke reden is om ernaar te luisteren, maar anders dan de meeste muziek wil deze wel degelijk iets vertellen. Men hoort wel eens verzuchten dat met de mooie kerkmuziek ook het geloof is verdwenen, of in ieder geval de gelovigen, dat muziek en geloofsbeleving heel nauw verweven zijn. En het is waar dat het moeilijk is om onverschillig te blijven ten opzichte van de vragen en gedachten van het passieverhaal als ze zo worden aangeboden als Bach dat doet.

Niet zo lang geleden schreef de filosoof Cornelis Verhoeven in Trouw dat het begrip 'zonde' voor ons, moderne mensen, eigenlijk niets meer betekent. Het is een leeg begrip geworden, schreef hij, we voelen ons helemaal niet meer zondig, we doen hooguit wel eens iets verkeerd. Dan vragen we excuus. Verhoeven leek het verdwijnen van het zondegevoel te betreuren, en niet uit zwartekousigheid.

In de Matthäus is 'zonde' nog helemaal geen begrip zonder inhoud. Integendeel. Een van de mooiste passages wat dat betreft (er zijn veel mooiste passages) is als Jezus met de discipelen rond de tafel zit en tegen hen zegt: één van jullie zal mij verraden. Ze buitelen over elkaar heen van haast om die ene vraag te stellen: “Herr, bin ich's?” Dat is verbazingwekkend, ze weten toch zelf of ze wel of niet van plan zijn om hem te verraden? En dat Judas die vraag ook stelt, lijkt helemaal onbegrijpelijk. Als iemand het antwoord kent, is hij het. Maar na die vragen volgt meteen het koraal: “Ich bin's, ich sollte büssen”. En deze opeenvolging, de vanzelfsprekendheid ervan, geeft het inzicht dat die bewering, 'ik ben het', waar is. Het is niet altijd een ander, zelfs als die het nu toevallig wel is.

De discipelen begrijpen op dat moment (en wij met hen) dat het niet zeker is dat ze niet tot iets minderwaardigs in staat zijn. Ze zijn oprecht bang voor het antwoord. Daarom moet Judas het ook nog eens horen uit de mond van degene die hij gaat verraden, want net zo min als de anderen is hij er zeker van dat hij echt degene is die hij zich heeft voorgenomen te zijn. Maar het wordt hem bevestigd: “Du sagest's”. Hij is er niet alleen toe in staat, hij zal het ook doen. Een gruwelijk moment.

De anderen kennen hun geneigdheid tot alle kwaad, maar ze zullen daar niet aan toegeven - niet nu althans en misschien wel nooit. Zeker is dat niet. Want juist Petrus, die een poosje later opgelucht zegt dat hij een rots zal zijn, altijd, (“ook al zou iedereen zich aan je ergeren”) juist hij wordt door zichzelf verschrikkelijk teleurgesteld door zijn tot driemaal toe herhaalde ontkenning: “Ich kenne des Menschen nicht.” Al te zwak blijkt hij, en hij dacht zich zo sterk.

Op dat failliet kan nog maar één nederige vraag volgen: “Erbarme dich”. Het is bijna verbazingwekkend dat de zo diep gevallene die vraag nog durft te stellen. Dat het kan en dat het zo oprecht klinkt, dat is Bach: de vraag wordt zo ontroerend mooi gesteld dat zij bestaansrecht heeft.

Petrus is misschien in dit verhaal het meest de vertegenwoordiger van 'ons allemaal'. Wij allemaal zitten vol goede voornemens en we doen ons best, maar we doen het vaak zo dom en als het erop aankomt zijn we er net niet. Deze allemaal, de omstanders, de toeschouwers, drukken zich steeds uit in de aria's en de koren, met eindeloos veel verzoeken en verlangens, met spijt en rouw en tranen, “in hulpeloze liefde”, zoals Gustafsson schreef.

Alt en sopraan zingen ontzet: “Sie führen ihn” en wij allemaal fluisteren “Lasst ihn! haltet! bindet nicht!” Later bieden wij de wanhopige alt - “Ach! wo ist mein Jesus hin?” - aan om te helpen zoeken, alles even lieflijk. Maar ook brullen wij allemaal oorverdovend dat we Barabbas! willen en dat men Jezus maar moet laten krui-ui-ui-uisigen.

“Ich bin's, ich sollte büssen” - het kan na bijna alles wel gezongen worden. Maar het zou uitzichtloos zijn om daarin te blijven steken. Daarom is het zo mooi dat dat gevoel, het gevoel van zonde, meteen zo in het begin van de Matthäus wordt uitgedrukt, zodat de andere verlangens, het verlangen naar overgave bij voorbeeld in de bijna vrolijke aria 'Ich will dir mein Herze schenken', een achtergrond hebben. Het is niet vrijblijvend, het berouw, de overgave, het verzoek om erbarmen, het komt allemaal voort uit de geestesgesteldheid die durft te vragen: “Herr, bin ich's?” En daarom, en omdat de moeite genomen is aan al die verlangens een zo hartverscheurend mooie vorm te geven, daarom mag er gevraagd worden 'Erbarme dich'. Daarna pas is het Pasen, met eitjes en een ontbijt.