Duitse hulp bij monumentenzorg

Monumenten en oorlogstijd. Jaarboek Monumentenzorg 1995

240 blz., geïll., Rijksdienst voor de Monumentenzorg/Waanders 1995, ƒ 35.-

Een samenvattende geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland, van het baanbrekende ijveren van jonkheer Victor de Stuers in de jaren zeventig van de vorige eeuw af tot en met gisteren, is nog niet geschreven. Tot dusverre is het voornamelijk bij korte verhandelingen gebleven, merendeels artikelen over deelaspecten, die veelal toch nog onvoldoende systematisch en uitputtend zijn onderzocht en beschreven.

Zo'n deelaspect is de problematiek van monumentenzorg en monumentenbescherming in de Tweede Wereldoorlog. Daarover gaat het Jaarboek Monumentenzorg 1995, een rijk geïllustreerde bundel, met in totaal dertien artikelen van diverse deskundigen, waarin de auteur van het voorwoord onder meer opmerkt: “De speurtocht door het oorlogsverleden van de Nederlandse monumentenzorg heeft verrassende vondsten opgeleverd, maar is nog lang niet afgerond”.

Grootvorst

Drastische bezuinigingen in de begrotingen van de monumentenzorg in de jaren dertig waren er mede de oorzaak van dat overheidsmaatregelen ter bescherming van het cultureel erfgoed tegen mogelijk oorlogsgevaar pas vrij laat werden getroffen. In 1939 werd de Inspectie Kunstbescherming in het leven geroepen, met aan het hoofd dr. J. Kalf, die na een lange carrière in 1938 was gepensioneerd als directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. Kalf werd nu allereerst verantwoordelijk voor de beveiliging van de belangrijkste museum-bibliotheek- en archiefcollecties (één daarvan was de in 1943 voltooide Rijksbergplaats voor Kunstschatten in het Overijsselse Paasloo, waaraan in deze bundel een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd). Vervolgens was zijn belangrijkste taak extra beveiligingsvoorzieningen te treffen voor ongeveer honderd speciaal beschermde monumentale gebouwen. En verder werd in een veertigtal gemeenten een Kunstbeschermingsdienst ingesteld, ressorterend onder zijn Inspectie. 'Grootvorst van de Nederlandse monumentenzorg', zo wordt Kalf getypeerd door een van de auteurs (Dirk van Laanen).

Inderdaad, Kalf was een machtig (en ook een zeer eigenmachtig) man, en hij bleef dat de hele oorlog door. Het secretariaat van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg had hij na zijn pensionering aangehouden, en dat verschafte hem extra invloed, bij de pro-Duitse secretaris-generaal van het departement van Onderwijs, Wetenschappen en Kultuurbescherming, prof. dr. J. van Dam, en vooral ook bij het Duitse Rijkscommissariaat en diverse lagere goden in de bezettingshiërarchie. Dat kwam meermalen van pas. Direct na mei 1940, natuurlijk, als het ging om herstel van getroffen monumenten, en ook later toen materiaalschaarste en een bouwstop (1942) noodzakelijke restauratieprojecten ernstig in gevaar brachten. Kalf wist dikwijls behendig bouwmaterialen, vergunningen en ook geld los te praten. Dat het hoofd van de afdeling Kunsten en Wetenschappen bij Van Dams departement, de bekwame en voortvarende mr. J.K. van der Haagen, ook nog eens een keer zijn schoonzoon was, vergemakkelijkte Kalfs werk aanzienlijk. Het kwam er min of meer op neer dat Kalf en Van der Haagen samen de dienst uitmaakten, en alle ruimte uitbuitten die de bezettingsomstandigheden hun nog lieten.

Toeverlaat

Noem het ironie van de geschiedenis dat het niet de Duitsers zijn geweest die in Nederland de meeste verwoestingen hebben aangericht, maar naarmate de oorlog vorderde de geallieerden. Rotterdam, Middelburg en de streek rondom Rhenen hadden het in mei 1940 zwaar te verduren gehad. Daar waren verscheidene belangrijke monumentale gebouwen verloren gegaan of ernstig beschadigd. Meteen in het eerste bezettingsjaar werd herstel energiek ter hand genomen, en - het moet gezegd - daarbij werd in veel gevallen belangrijke ambtelijke steun ondervonden van Duitse autoriteiten.

Opmerkelijk is de positieve rol die de Oostenrijkse kunsthistoricus, dr. Friedrich Plutzar, van het begin af aan speelde. Deze voormalige museumdirecteur uit Wenen, getrouwd met een Nederlandse vrouw, bekleedde bij het Rijkscommissariaat de functie van Leiter der Hauptabteilung Wissenschaft, Volksbindung und Kulturpflege. Menigmaal bemiddelde hij in conflicten, en nagenoeg altijd naar vermogen ten gunste van de Nederlandse monumentenzorgers. Tot in het laatste oorlogsjaar, toen langzamerhand de chaos compleet was, de verbindingen stagneerden en monumentenbeschermers handen te kort kwamen om te redden wat er nog te redden viel, bleef Plutzar voor Kalf en Van der Haagen een waardevolle toeverlaat.

'Wrang genoeg' noemen Max Polano en Mariek Kuipers hun constatering dat juist in de bezettingstijd de aanzet is gegeven tot een wettelijk geregelde monumentenzorg. Tot 1940 waren wetsinitiatieven steeds afgeketst op weerstand tegen beperking van het eigendomsrecht, maar de verwoestingen die in de meidagen van 1940 waren aangericht, vereisten snelle maatregelen tot puinruimen en (nood)herstel.

Het was de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, generaal Winkelman - in de weken na het vertrek van de regering naar Engeland tot aan de machtsovername door Rijkscommissaris Seyss-Inquart belast met het regeringsgezag - die op respectievelijk 21 en 24 mei de Besluiten Wederopbouw I en II uitvaardigde. Deze besluiten hadden vèrstrekkende gevolgen voor de monumentenzorg, onder andere een vereenvoudiging van onteigeningsprocedures en, belangrijker nog, verbod tot sloop van monumentale gebouwen of ruïnes daarvan, tenzij met toestemming van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg.

Belangrijk was ook dat met verlof van de Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw (dr.ir. J.A. Ringers) niet alleen beschadigde monumenten konden worden hersteld, maar tevens vóór de oorlog begonnen restauraties mochten worden voortgezet. In de ideologie van de bezetter paste verdere regelgeving; met restauratie van monumenten hoopten de nazi's “nieuwe pronk aan het groot-Germaanse geheel toe te voegen”. Met name de Abdij van Middelburg had na herbouw zo'n nationaal-socialistisch paradepaardje moeten worden.

Leidersbeginsel

Het departement van Onderwijs, Wetenschappen en Kultuurbescherming kreeg opdracht een monumentenverordening voor te bereiden, en al in oktober 1940 lag een ontwerp van maar liefst 53 artikelen gereed. Maar de vaststelling bleef uit, doordat op principiële onderdelen geen overeenstemming werd bereikt. De Duitsers vonden het ontwerp te weinig centralistisch en misten het 'leidersbeginsel', de Nederlanders meenden dat het in bezettingstijd niet passend zou zijn de rechten van de burgers nog verder te beknotten. Zo bleef het bij een 'papieren Cerberus', aldus Polanen en Kuipers. Het zou tot in 1945 duren voordat een nieuwe noodregeling van kracht werd, die uiteindelijk de voorloper is geworden voor de Tijdelijke Wet Monumentenzorg van 1950.

In een aantal gevallen bleek de oorlogsverwoesting een merkwaardige blessing in disguise, doordat archeologisch bodemonderzoek mogelijk werd waaraan voorheen niet te denken was geweest, vaak met als resultaat dat vervolgens een meer verantwoorde restauratie kon worden uitgevoerd. Een frappant voorbeeld daarvan is de oude Hervormde Kerk in Oosterbeek, waar de fundamenten van een vroeg-Romaanse kerk blootgelegd konden worden. In Elst werden de lang vermoede (Gallo-)Romeinse tempelrestanten zichtbaar en blijvend toegankelijk gemaakt. Andere interessante voorbeelden (beschreven door Ab Warffemius) zijn de kerken van Kerkdriel, Boxmeer en Horst.

Het jaarboek werd vorig jaar november in de Grote of Eusebiuskerk te Arnhem gepresenteerd, een passende locatie, want dit was in 1945 een van de zwaarst getroffen Nederlandse kerkgebouwen. Zo zwaar zelfs dat Canadese genie-eenheden bereidwillig aanboden met hun bulldozers de bouwvallige restanten snel even op te ruimten, gelijktijdig met al het andere Arnhemse puin - maar daar wilde het overigens zeer voortvarende gemeentebestuur toch niet aan: de kerk moest worden gerestaureerd. Alleen werd, evenals in het Zeeuwsvlaamse Hulst, besloten dat de toren niet in zijn oude gedaante zou worden herbouwd. Voor een nieuw ontwerp werd een prijsvraag uitgeschreven. Daaraan, en vooral aan de niet gemakkelijke besluitvorming, wijdde Ineke Pey een interessant hoofdstuk. Nog twee andere van zulke prijsvragen - niet in verband met oorlogsschade - komen hierin aan de orde: voor de torens van Weert en Zutphen. Alleen in het laatste geval werd uiteindelijk toch gekozen voor een replica van de oude toren.

Onomstreden waren de nieuwe ontwerpen niet, evenmin als de restauraties van totaal vernielde kerkgebouwen. Onder andere naar Engels voorbeeld pleitten sommigen voor conservering van de ruïnes zoals ze er na de bevrijding lagen, als blijvende oorlogsmonumenten. Maar over het algemeen werd de vraag: herbouw ja of nee? positief beantwoord, en was het alleen nog de vraag: herbouw, maar hoe? En meestal luidde het antwoord: herbouw zoveel mogelijk in oorspronkelijke vorm.