Drugscontrole als juridisch monster

AMSTERDAM, 30 MAART. Of sportmensen het leuk vinden of niet, wanneer zij willen deelnemen aan topevenementen, zullen ze toch iets van hun individuele rechten moeten inleveren. Dat is de inmiddels traditionele boodschap bij de Olympische Spelen als het gaat om de dopingcontrole. De keuze van Atlanta voor de komende aflevering van de Spelen maakt dat eenvoudiger gezegd dan gedaan. Deze locatie vergroot de kans dat Amerikaanse rechtbanken bij dopingzaken worden betrokken.

De VS gelden als een van de meest proceslustige landen ter wereld. En de Amerikaanse rechter pleegt individuele rechten juist voorop te stellen. De schrik is er bij de georganiseerde sportwereld goed ingeschoten door de geruchtmakende zaak-Reynolds. Deze voormalige recordhouder op de 400 meter vocht een schorsing aan de internationale atletiekfederatie (IAAF) aan die hem de deelname aan de vorige Olympische Spelen kostte. Hij kreeg in 1992 van een federale rechter in Ohio een schadevergoeding van 27,3 miljoen dollar (ruim veertig miljoen gulden) toegewezen.

In hoger beroep werd dit vonnis later weliswaar vernietigd, maar deze episode (die het bankroet dreigde te betekenen van de IAAF) vormt een waarschuwing dat de internationale sportautoriteiten met hun dopingcontroles wel eens een juridisch monster zouden kunnen hebben gecreëerd dat zich tegen hen kan keren. “Nationale rechtbanken kunnen geducht huishouden in de internationale dopingsbestrijding”, schreven prof. James B. Jacobs en Bruce Samuels vorig jaar in het Amerikaanse juridische tijdschrift Hastings International and Comparative Law Review. “Zelfs als de geschorste sportbeoefenaar uiteindelijk toch geen gelijk krijgt, kan het uitstel de sanctie in feite ongedaan maken”.

In een poging geld- en tijdverslindende processen te voorkomen heeft het Internationaal Olympisch Comité in 1983 het Hof van arbitrage voor sport in Lausanne opgericht. Minstens vijftien internationale federaties hebben zich daar bij aangesloten, te beginnen met de hippische federatie, waar men van oudsher het nodige te stellen heeft met doping. Speciaal met het oog op Atlanta heeft de olympische beweging nog een extra verdedigingslinie tegen inmenging van de Amerikaanse rechter in het leven geroepen, de Hoge Raad voor Internationale Sportarbitrage. Bij deelname aan de Olympische Spelen verplichten sportlieden zich eventuele geschillen aan deze raad voor te leggen. Toch valt beroep op de gewone rechter niet uit te sluiten wanneer het gaat om grove schendingen van rechtsbeginselen.

Het risico van dit soort ernstige gebreken is bij dopingcontrole verre van denkbeeldig. Dat bleek vorig jaar nog weer eens uit de beslissing van het Hof van arbitrage in de zaak-Quigley, een Amerikaan die twee jaar geleden deelnam aan de strijd om de wereldbeker kleiduivenschieten in Caïro. Hij kreeg 's nachts een ernstige bronchitisaanval en de ijlings ontboden hotelarts schreef hem een hoestsiroop voor, met de verzekering dat deze geen verboden stoffen bevatte. Dat was toch het geval, zo bleek bij een urinetest. De internationale schietunie nam Quigley de medaille af die hij in Caïro had gewonnen en verklaarde zijn plaats in het Amerikaanse olympische team vervallen.

Het Hof van arbitrage oordeelde dat deze straf niet in stand kon blijven. “De strijd tegen doping is zwaar en vergt strikte regels”, verklaarde het hof, “maar degenen die de regels maken en toepassen moeten beginnen met strikt tegenover zichzelf te zijn”. Aan dat laatste schortte het op verschillende punten. De schietunie hanteerde in het geval-Quigley een strikte vorm van aansprakelijkheid, de zogeheten risico-aansprakelijkheid. Daarvoor is niet van belang of de betrokkene zelf enige schuld treft. Dat een verboden stof wordt aangetroffen bij een test is voldoende. Excuses worden niet geaccepteerd.

De reglementen van de schietunie omschrijven doping echter als een middel om het prestatievermogen te vergroten. Het bestuur van de unie had nota bene zelf erkend dat dit in de zaak-Quigley niet het geval was; het verklaarde zwart op wit dat hij niet de bedoeling had gehad met die hoestdrank zijn tegenstanders een voordeeltje af te snoepen. Dan kan datzelfde bestuur hem ook niet straffen, concludeerde het Hof van arbitrage. De opstelling van een internationale sportorganisatie moet “ordelijk, voorspelbaar en transparant zijn”, waarschuwde het Hof.

De beslissing in de zaak-Quigley laat open dat de schietunie zijn reglementen zo verandert dat elk tegenbewijs is uitgesloten. De IAAF is daarvan een voorbeeld. Deze federatie werd niet alleen in het nauw gebracht door de zaak-Reynolds, maar zag eerder een zaak tegen de voormalige Oostduitse kampioene Katrin Krabbe stuklopen op vormfouten. De IAAF-definitie van doping laat geen enkel verweer toe. Deze aanpak wordt de internationale sportorganisaties tot voorbeeld gesteld in een studie voor de Raad van Europa door het Nederlandse Centrum voor dopingvraagstukken (NeCeDo) in Rotterdam.

In een beslissing uit 1992 over doping in de paardenssport zei het Hof in Lausanne echter dat een beschuldigde op grond van de algemene beginselen van het recht altijd de kans moet krijgen zijn onschuld aan te tonen. Waar het om gaat is dat de sporter stoffen tot zich neemt die hij niet zou aanraken als hij niet aan wedstrijden deelnam. Een geneesmiddel voor een serieuze kwaal is geen doping, zo verklaarde het Hof vorig jaar nog eens in het geval van de Finse zwemmer Petteri Lethinen die een verboden substantie moest gebruiken in verband met astma.

De IAAF propageert nog een andere juridische kunstgreep om lastige vragen te omzeilen: de enkele bekentenis van een sporter dat hij of zij een verboden middel heeft gebruikt is voldoende voor een veroordeling. Het Hof van arbitrage is het daar echter niet mee eens. “Een sportbeoefenaar behoort niet te worden gestraft voor eerlijkheid”, verklaarde het Hof in de zaak-Quigley. Het zal iemand trouwens gebeuren dat hij alleen maar dacht een verboden substantie te hebben gebruikt terwijl dat niet het geval was. De eigen bekentenis is volgens het hof in Lausanne geen alternatief voor een behoorlijk uitgevoerde test.

De arbiters van het IOC voegden daar de waarschuwing aan toe dat de regels voor dopingtests niet alleen “helder als kristal” dienen te zijn maar ook dienen te zijn ontworpen met het oog op hun betrouwbaarheid en dat in het concrete geval ook moet kunnen worden aangetoond dat ze zijn nageleefd. “Anders staat de deur open voor een overmaat aan rechtszaken”, verklaarde het Hof met een onmiskenbare vooruitblik op de Spelen in Atlanta.