Denkkracht

THOMAS VAN AQUINO: Over de wet

186 blz., vert. M.A.J.M. Buijsen, Ambo 1996, ƒ 49,50

Thomas van Aquino. Velen kennen zijn naam, weinigen hebben iets van hem gelezen. Dit laatste kan voor een deel op rekening gesteld worden van het feit dat zijn werk slechts mondjesmaat is vertaald. Toch geldt de doctor angelicus als de grootste denker van de Middeleeuwen. Hij heeft ongeveer honderd werken geschreven, waarvan de Summa Theologica het bekendst is. Van dit monumentale 'handboek' is nu een samenhangend gedeelte (I-II qq. 90-97) onder de titel Over de wet in het Nederlands verschenen. De fraai vezorgde uitgave bevat naast de vertaling van de Latijnse tekst nog een inleiding en een zeer verhelderend notenapparaat.

Met een systematiek die terugaat op Aristoteles, maar door christelijke en Arabische geleerden verder is verfijnd, ontwikkelt Thomas erin zijn visie op het recht en alles wat daarmee samenhangt. Na een uiteenzetting over de grondprincipes behandelt hij achtereenvolgens de eeuwige wet, de natuurlijke wet en de menselijke wet. De wet is volgens hem “een bepaalde afgekondigde ordening van de rede met betrekking tot het gemeenschappelijke goede, en afkomstig van hem die de zorg voor de gemeenschap heeft”. Deze basisdefinitie maakt al meteen duidelijk hoe abstract de stof wordt gepresenteerd.

Thomas voert de juridische organisatie van de menselijke samenleving terug op de ongeschreven wet van de natuur, die hij op haar beurt ziet als een afspiegeling van de volmaakte orde die slechts te vinden is bij God. Dit metafysisch fundament, dat door de moderne mens kritisch, om niet te zeggen sceptisch, wordt bekeken, maakt dat het thomisme tegenwoordig wat uit de gratie is geraakt. Maar dat is ten onrechte. Want ook al gaat Thomas' denken over het recht uit van een hogere macht, het is in feite gericht op de mens en diens sociaal-ethisch functioneren. En heel wat kernproblemen uit de huidige rechtsfilosofie zijn dan ook door hem voor het eerst geformuleerd. Misschien niet praktisch, maar wel principieel.

De vorm waarin hij zijn betoog heeft neergelegd, is die van de in de Middeleeuwen gebruikelijke theologische disputatio, een discussie onder leiding van een magister over een van tevoren vastgestelde quaestio. De pro- en contra-argumentatie berust op een strikte toepassing van de logica, waarbij rijkelijk gewerkt wordt met syllogismen en analogieën. Opvallend zijn ook de talrijke verwijzingen naar gezaghebbende geschriften: in dit geval naast de Bijbel vooral de werken van Aristoteles, Augustinus en Isidorus van Sevilla. Zowel door zijn manier van redeneren als door zijn veelvuldig beroep op 'heilige' teksten is Thomas een typische vertegenwoordiger van de scholastische wijsbegeerte.

Hoewel zijn dorre en kleurloze schrijftrant ver afstaat van wat men tegenwoordig onder literatuur verstaat, zal iedereen die zijn werk leest onder de indruk komen van de enorme denkkracht die het uitstraalt. Deze denkkracht is vooral hierom uitzonderlijk, omdat zij het vermogen tot analyse en synthese op bewonderenswaardige wijze in zich verenigt: subtiele nuanceringen gaan hand in hand met allesomvattende conclusies.

Ofschoon het verre van eenvoudig is een tekst van een dergelijke diepgang te vernederlandsen, mag het resultaat er in alle opzichten zijn. De vertaler M.A.J.M. Buijsen, medewerker aan de faculteit der rechtsgeleerdheid te Rotterdam, is erin geslaagd een heldere tekst te creëren, die ondanks zijn hoge moeilijkheidsgraad nergens geforceerd aandoet. Het vergt nogal wat taalkundige en juridische precisie om begrippen als 'redelijk', 'rechtvaardig', 'wettig', 'rechtmatig' en 'billijk' op één bladzijde van elkaar te onderscheiden, maar in vraagstelling 93.3 is dat in elk geval gelukt. Ik heb wat de vertaling betreft eigenlijk maar één vraag: zou er voor de frequent voorkomende filosofische term habitus in het Nederlands echt geen betere weergave te bedenken zijn dan 'hebbelijkheid'?