De vermenigvuldiging van managers

Iedere hoofdarbeider moet zijn bestaan zo nu en dan rechtvaardigen. De echtgenote, de belastingdienst, de trajectbegeleider, premier Kok, of de Here God zelf - op de vreemdste ogenblikken kan er iemand uit dit rijtje naast ons bureau staan om te vragen wat we precies uitspoken en waarom. Meestal gaat het goed. De vragende partij is gauw tevreden als wij zeggen keihard aan het werk te zijn. (En dat zijn we vaak ook. Ook al zitten we stil naar buiten te staren, in de bovenkamer ratelt het brein onverdroten voort!).

Maar niet iedereen vertrouwt ons. Temidden van alle controlerende instanties is er een figuur die zich niet laat afschepen en hinderlijk om de werkplek heen blijft hangen. Het is iemand die wij wel kennen. Van vergaderingen waar hij zijn plannen komt toelichten en de overhead projector bedient. Bovendien kennen we hem ook van vroeger toen hij nog in dezelfde salarisschaal zat en onze directe collega was. Een aardige man waar je mee kon lachen.

Nu niet meer. Nu wil hij iets van ons. Hij zal het zelf veel ingewikkelder formuleren, maar het komt hier op neer: hij wil ons nog harder laten werken. Hij wil dus, in zijn woorden, meer output, hij wil meer betrokkenheid, hij wil dat wij ervoor gáán, hij wil ons ergens op kunnen afrekenen. Hij wil dat allemaal zo graag omdat hij manager is. En wij zijn span of control.

Onze organisatie, een rustige werktuin waarin de meesten met toewijding en liefde hun taak volbrengen, is in de verbeelding van de manager een ziedende arena waarin wij, werkpaarden, de kar van onze leidsman van de ene naar de andere overwinning moeten slepen.

Zo ziet onze manager dat. Net als al die andere managers die zich in onze tijd bij duizenden vermenigvuldigen en de arbeidsverhoudingen in Nederland tot op het bot aantasten.

Niet bekend

In het licht van de geschiedenis was deze golf van machtswil bij een generatie werknemers waarvan de anti-autoritaire haarlokken nog vers onder de kappersstoel lagen een geweldige verrassing. Hadden deze mensen in die jaren daarvoor zichzelf zitten bedotten, en ontdekten ze nu ineens dat onderdrukken plezieriger is dan onderdrukt worden? Een maatschappelijke inhaalmanoeuvre dus?

Misschien gold dit voor de vele vrouwelijke managers die hun plaats aan de top opeisten, maar als algemene verklaring leunt deze gedachte te veel op de veronderstelling dat macht leuk is. Management was dat in het begin helemaal niet. Men moest onbegrijpelijke boeken lezen, men moest penny shoes en brogues aanschaffen, men moest op tennisles, men moest het bedrijfsleven als het enige ware en goede leven leren zien, men moest op een vlot de Ourthe af, kortom de beproevingen logen er niet om. En als men dan klaargestoomd voor de hogere taken, op de werkvloer terugkeerde en de manager zijn eerste opdracht in de bakjes van zijn medewerkers deponeerde, haalden dezen de schouders op en gingen rustig verder met waar ze mee bezig waren.

Er zijn dus meer redenen waarom de managers zich zo wonderbaarlijk hebben vermenigvuldigd. De meest simpele is dat de functie meer oplevert. Zeker in de jaren tachtig was dat belangrijk. Toen veel baby boomers hun eerste hypotheek afsloten, en tegelijkertijd op hun werk de laatst binnengekomen collega weg bezuinigd zagen worden, dachten velen dat ze maar beter zo hoog mogelijk konden stijgen voordat ook zij aan de beurt waren. Hoe hoger de functie, hoe beter de afvloeiing. Het is daarom geen wonder dat vooral bij de overheid in die tijd het ene na het andere managementniveau in elkaar werd geknutseld. Ze moesten dienen als vluchtheuvels in het wassende water van de bezuiningsrondes. Angst, in plaats van lust dreef dus velen naar voren.

Maar er is een derde motief. Het is in zekere zin een combinatie van de twee vorige en het verklaart nog beter waarom de moderne manager onder ons is. Dat is de hedonistische aandrang om niets, maar dan ook niets uit te voeren. De luiheid dus, de meest plezierige vorm van faalangst waar een mens last van kan hebben.

In onze samenleving is het vrij riskant om daar open en bloot mee rond te lopen. Men loopt het risico opgepakt te worden door een headhunter van Melkert die nog een plaats over heeft in de dweilploeg van een verzorgingstehuis. Degenen die daar geen zin in hebben zijn dus verplicht hun luiheid te maskeren, en de meest gebruikelijke techniek daarvoor is anderen voor je te laten werken.

Regeren, leiding geven, verantwoordelijkheid dragen, de tent runnen - door de eeuwen heen hebben de machtigen der aarde hun nutteloze aanwezigheid op deze wijze vormgegeven. En nu, in onze gedemocratiseerde tijd, is dit cultuurgoed verbreid tot in de verste uithoeken van de arbeidsmarkt en noemen we het management. Overal waar meer dan twee mensen samen werken zijn ze te vinden, de luiwammesen die de arbeidsrust verstoren door ons voor de voeten lopen met hun sheets vol mission statements, en met hun gebrabbel over goals, commitment en career incentives. De kleine Jan Timmertjes die diep in hun hart maar een wens hebben: met een gouden handdruk uitgewoven te worden naar een palmenstrand in Zuidoost-Azië. Dat beloofde oord waar je op je rug leiding kunt geven door met je vingers te knippen.

Ach, laten wij arbeiders, als het zover is, de droom van onze managers niet verstoren door in de ondernemingsraad moeilijk te doen over de bedongen vertrekpremies. Laat ze toch gaan, en geef ze liefst nog wat extra's mee. Het is de enige manier om nog van ze af te komen.