De teloorgang van het erfgoed

THEO HOLLEMAN: Een verleden op de schop

224 blz., geïll., Amsterdam University Press 1996, ƒ 44,50

“U bent mede-eigenaar van een cultuurhistorisch erfgoed, dat grotendeels onder de grond zit. Wist u dat de personen en instanties die van uw en mijn belastinggeld zijn aangesteld om het te beheren en te behouden het niet goed doen? Als er niet snel iets aan gedaan wordt, is er van dat erfgoed, afgezien van opgravingsgegevens op diskettes en enkele vondsten in magazijnen straks niets meer over. Dan rest een zielloos landschap zonder verleden”. Dat is kort samengevat de boodschap van Theo Hollemans boek Een verleden op de schop, waarin hij uiteenzet hoe het is gesteld met het beheer en de studie van het Nederlandse archeologische bodemarchief.

Nederland telt ongeveer 14.000 archeologische vindplaatsen, waarvan er 1.650 als archeologisch monument wettelijk beschermd zijn. De meeste daarvan zijn voor buitenstaanders onzichtbaar, omdat ze onder de grond zitten of, zoals esdekken (eeuwenlang opgehoogde landbouwgronden), voor een ongeoefend oog in het landschap niet opvallen.

Die onzichtbaarheid maakt archeologische resten kwetsbaar. Twee jaar geleden luidde de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) de noodklok, toen uit onderzoek zou zijn gebleken dat tussen 1950 en 1994 een derde van het bodemarchief zonder nader onderzoek was verdwenen. In hetzelfde jaar verscheen ook een rapport van de particuliere Archeologische Monumentenwacht met de conclusie dat meer dan de helft van de zichtbare archeologische monumenten beschadigd was.

Bouwactiviteiten, diepploegen en ontwatering door overheden en particulieren werden genoemd als oorzaken van de verdwijningen en beschadigingen. De ROB kreeg na de invoering van de Monumentenwet in 1961 drie taken: archeologisch onderzoek, documentatie van het onderzoek en archeologische monumentenzorg. Het takenpakket groeide de ongeveer honderd werknemers van de dienst al snel boven het hoofd, met als gevolg dat het meeste geld en de meeste mankracht aan (nood)opgravingen en daarmee aan de feitelijke vernietiging van vindplaatsen werden besteed. Welgeteld één man hield zich bij de ROB volledig bezig met monumentenzorg.

Ook bij de ROB kwam met de jaren het besef dat het zo niet langer kon. Om niet langer voor een voldongen feit - een vindplaats opgraven of zonder onderzoek de bulldozers er over laten gaan - gesteld te worden, moest de ROB er voor zorgen dat er al eerder, bij het maken van plannen en wetten, rekening met archeologische vindplaatsen gehouden zou worden. De directeur ging met het oog hierop vaker naar politiek Den Haag, er kwam een voorlichter uit de milieubeweging om de pers beter te bespelen en er werd zelfs één keer een lobbyist ingeschakeld. Tenslotte werd drie jaar geleden besloten tot een reorganisatie van de dienst, die voortaan behoud en beheer als belangrijkste taken zou krijgen.

Holleman is kwaad dat er uiteindelijk toch niet veel verandert, gezien het feit dat de ROB niet alleen spreekt van 'behoud in situ', maar ook van 'behoud ex situ' en 'opgraven waar een andere vorm van bescherming niet mogelijk is'. Het bleek zelfs zo moeilijk om de ROB van een graafdienst in een beheer-en behouddienst te veranderen, dat eind vorig jaar een externe manager werd aangetrokken om het reorganisatieproces te redden.

De interne problemen van de ROB vallen samen met een periode waarin voor het archeologisch erfgoed belangrijke beslissingen op stapel staan. Zo is er de aanstaande ratificatie en implementatie van de Conventie ter bescherming van het cultureel erfgoed (Malta 1992). Daarin is het principe van de 'verstoorder betaalt' opgenomen. Holleman vreest dat de discussie vooral over geld zal gaan - staatssecretaris Tommel van VROM heeft vorig jaar mei in dit verband al opgemerkt dat de overheid geen generale verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed heeft. Holleman denkt verder dat veel archeologen allang blij zijn dat ze geld krijgen, om er vervolgens achter te komen dat ze de hoeveelheid werk weer niet aankunnen. Door deze discussie vergeet iedereen dat de Conventie vooral behoud van archeologische vindplaatsen beoogt.

Hij voegde aan zijn noodkreet nog twee delen toe: zeventien door hem eerder gepubliceerde verhalen over archeologische onderzoeken en een opsomming van methoden en technieken van het archeologisch onderzoek. Beide delen zijn weinig opzienbarend, of het moest zijn dat ze voor het eerst, zij het alleen kort in het slotwoord, in verband worden gebracht met erfgoedbeheer.