Bestrijding van armoede begint met een fatsoenlijke uitkering

Zeven procent van de Nederlanders is arm, zeventien procent voelt zich arm. Wie armoede wil bestrijden, moet daar rekening mee houden. Jan Godschalk bepleit een streng, doch billijk uitkeringsregime en een betere beloning van het werk onderin het arbeidsbestel.

In Nederland is de discussie over armoede weer op gang gekomen. Verschillende partijen hebben standpunten ingenomen en recente voorstellen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) komen onder vuur te liggen. Maar alvorens met vrucht te kunnen discussiëren moet vastgesteld worden wie de armen zijn en hoe hun situatie in feite is.

Armoede in Nederland is een relatief verschijnsel. Dat wil zeggen dat niemand in Nederland van de honger hoeft om te komen, zoals dat nog steeds in groten getale gebeurt in delen van Afrika en Azië.

Wanneer mensen in Nederland arm worden genoemd is dat gemeten aan de algehele welvaart van de samenleving. In ambtelijke termen wordt dat vastgesteld via de 'inkomensmethode'. Er wordt dan een bepaalde relatie vastgesteld tot het minimumloon.

Volgens recent, nog niet gepubliceerd onderzoek zou tussen de zeven en acht procent van de Nederlanders arm zijn. In een nota van SZW, De andere kant van Nederland, wordt gesproken van 830.000 huishoudens die van een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum moeten rondkomen. Dat aantal kan verminderd worden met 157.000 studenten, voor wie deze minimumsitiatie doorgaans een overgangstoestand is.

Tot de groepen die, volgens de nota, een groot risico lopen in een armoedesituatie te belanden behoren vrouwen, met name eenoudergezinnen, ouderen met alleen AOW of een klein aanvullend pensioen, etnische minderheden en dak- en thuislozen. En bij die laatsten worden veel verslaafden gevonden en zwervende psychiatrische patiënten.

Naast de als objectief gekenmerkte 'inkomensmethode' bestaat er ook de subjectieve 'zelf-evaluatiemethode'. Met deze, door een groep Leidse onderzoekers op Europees niveau toegepaste methode, laat men mensen aan de hand van een aantal vaste vragen zelf uitspraken doen over hun inkomenssituatie. Met die methode liep het percentage armen op naar zeventien procent.

Zeventien procent van de Nederlanders voelde zich dus arm. Hoe reëel is hier tegenover de objectieve maatstaf? In Nederland wordt ervan uitgegaan dat een uitkering een adequaat bestaan mogelijk moet maken. En de heersende normen in de samenleving worden geacht aan te geven wat daaronder verstaan moet worden. Maar wat geven die normen aan? Hoort daar het bezit van een kleurentelevisie en zelfs een videorecorder bij? Studiekosten, reiskosten, telefoon, lidmaatschap van een sportvereniging? Mag er een feestje gegeven worden voor de verjaardag van een kind en mag zo'n kind dan merkkleding als cadeau krijgen? Mag iemand met een uitkering er een hond op nahouden? Want dit zijn toch de dingen die voor de doorsnee burger gebruikelijk zijn. Wanneer we de heersende normen zo opvatten, zou de subjetieve benadering wel eens dichter bij de werkelijkheid kunnen liggen dan de objectieve.

We moeten ons realiseren dat 'condities' van deprivatie niet los gezien kunnen worden van 'gevoelens' van deprivatie. Volgens de econoom Sen kan dat tot gevolg hebben dat de relatieve armoede in de individuele situatie een absoluut karakter krijgt.

Onderzoek in Nederland heeft aangetoond, dat verarming in de eerste plaats leidt tot het verdwijnen van de weinige luxe waarover men nog beschikte en dat men vervolgens bezuinigt op kosten die betrekking hebben op sociale participatie en sociale interactie. Bij het zoeken naar een oplossing van armoede moet hiermee rekening worden gehouden.

Wat voor oplossingen worden door de minister van Sociale Zaken voorgesteld? Men vindt een lappendeken van maatregelen, maar het accent valt op het 'geleiden' van uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt. Hoe groot is de kans op succes hierbij? In de nota wordt over de objecten van dit beleid gezegd: “Mensen die langere tijd afhankelijk zijn van een ABW-uitkering [bijstand, red.] vormen qua 'kenmerken' de keerzijde van degenen die een goede kans hebben op de arbeidsmarkt. Deze problemen uiten zich vaak in een gebrek aan motivatie om zelf actief naar betaald werk te zoeken. Een langdurig verblijf in de bijstand kan gepaard gaan met een vernauwing van de sociale leefwereld, een eenzijdig relatienetwerk, het voortdurend hanteren van zogenaamde overlevingsstrategieën en het ontbreken van toekomstperspectief”.

Sociologisch onderzoek uit het laatste decennium bevestigt dit beeld van 'de harde kern van de bijstand'. De mensen in de milieus die tot de harde kern behoren, willen wel werken, maar hechten waarschijnlijk geen al te grote waarde aan de arbeid. Want de arbeid waar ze voor in aanmerking komen is laag geklasseerd, vaak vuil of anderszins onaangenaam en zal aan inkomen vaak maar een fractie meer opleveren dan de uitkering.

Het is voorstelbaar dat de meerderheid van deze mensen eigenlijk de voorkeur geeft aan de uitkeringssituatie. Vrijlatingsbepalingen kenden tot nu toe een marge van bijna 300 gulden, die per maand bijverdiend kon worden. Daarnaast gaven de regelingen voldoende ruimte tot fraude, die in het algemeen geschat werd op minimaal 20 procent.

Het klinkt misschien vreemd, maar waarschijnlijk moet geconstateerd worden dat de grote meerderheid van de uitkeringsgerechtigden in de uitkeringssituatie financieel beter af is, dan met arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daarbij is de meerderheid van de uitkeringsgerechtigden overtuigd van haar recht op de werkloosheids- of bijstandsuitkering. Velen ervaren de uitkering als een basisinkomen dat een zekere autonomie in hun bestaan garandeert en daarmee een fundament vormt voor minimale gevoelens van menselijke waardigheid.

Het laagste segment van de arbeidsmarkt is, afgezien van bij de overheid gecreëerde of te creëren banen, niet de aantrekkelijkste plaats om arbeid te verrichten. In het algemeen is hier sprake van 'gedraineerde' of 'uitgeholde' arbeid, vaak met weinig bewegingsmogelijkheid of gelegenheid tot onderlinge communicatie, in een doorgaans strakke hiërarchie, met weinig status, weinig arbeidszekerheid, met tijden die niet stroken met een 'normaal' maatschappelijk leven, onder ongunstige arbeidsomstandigheden en dan bovendien weinig meer betalend dan de uitkering.

Wanneer bij het Centraal Planbureau de klacht klinkt dat er in Nederland te weinig geïnvesteerd wordt, dan wordt in een recente studie van dit bureau opnieuw voorgesteld minimumlonen en uitkeringen te laten achterblijven bij de lonen in het bedrijfsleven. Dat is een onzinnig voorstel. Niet alleen omdat, zoals het Planbureau zelf berekent, zo'n maatregel de werkloosheid in 2000 maar met 6.000 personen zal verminderen, maar vooral omdat dit ongetwijfeld zal leiden tot een toename van armoede.

Wanneer we er vanuit gaan dat het algemene loonpeil en de welvaart van de meerderheid van de bevolking niet achteruit zullen gaan, zal dit zelfs bij meting met de objectieve methode een groei van het aantal als arm te kenmerken huishoudens tot gevolg hebben. Dat aantal zal nog groter zijn wanneer wordt uitgegaan van een subjectieve benadering, die meer recht zal doen aan problemen van menselijke waardigheid. Naast de 'moderne arme' krijgen we dan de 'moderne werkende arme', de hedendagse variant van de working poor uit het begin van de industriële ontwikkeling.

Wanneer er nagedacht wordt over oplossingen van dit armoedeprobleem zou ik me in de eerste plaats willen aansluiten bij de socioloog Schuyt, wanneer hij een pleidooi houdt voor een uitkeringssysteem met strenge toelatingseisen en fatsoenlijke uitkeringsnormen, tegenover het huidige systeem met een automatische toegang, maar met steeds lagere uitkeringsniveaus.

Schuyt kiest voor: “[...] streng en sober, maar voor de juiste gevallen en op minimaal beschaafd niveau - [dat] zal als keerzijde hebben dat zeer veel personen die nu nog op een of andere manier meer of minder oneigenlijk in de verzorgingssystemen zitten (ongeveer de helft van de WAO'ers, zeer veel ontvangers van studiefinanciering) buiten de overheidssteun vallen en [...] geregistreerd zullen moeten worden als blijven werkloos of werkzoekend. Aldus wordt op scherpe manier zichtbaar dat achter de crisis van de verzorgingsstaat een grotere crisis van de werkgelegenheid en de plaats van de arbeid in de moderne samenleving schuilgaat.”

En verder zou er naar gestreefd moeten worden om de arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt beter te betalen, dan heeft men daar geen fraude meer nodig om tot een menswaardig bestaan te komen.