Afghanistan wacht lente vol geweld

Na een in militair opzicht kalme maar meteorologisch barre winter lijkt Kabul aan de vooravond te staan van een nieuwe krachtmeting tussen de regering en de Talibaan. Gespannen wachten ook de buurstaten af of het machtsevenwicht in Centraal-Azië verschuift.

NEW DELHI, 30 MAART. De circa een miljoen achtergebleven inwoners van de Afghaanse hoofdstad Kabul zijn zojuist bekomen van de ontberingen van een ijzige winter, waarin hun toestand zo wanhopig was dat sommigen zelfs hun befaamde tapijten opstookten om nog wat warmte te hebben. Veel respijt lijkt de geplaagde bevolking niet te krijgen.

Nu de temperaturen weer draaglijker zijn, wacht haar vrijwel zeker een nieuwe gevechtsronde tussen de troepen van president Burhanuddin Rabbani en de Talibaan, de islamitische studentenstrijders die niets liever doen dan ook Kabul hun oerconservatieve wil opleggen. En veel wijst erop dat de strijd nog heviger zal zijn dan de toch al vernietigende slagen die de grotendeels in puinhopen veranderde stad sinds 1992 achter de rug heeft.

Beide zijden hebben zich de afgelopen maanden koortsachtig herbewapend. Met spanning wachten alle partijen van binnen en buiten Afghanistan nu af hoe de nieuwe krachtsverhoudingen liggen.

Met hulp van Rusland, Iran en India zijn vele tientallen vliegtuigladingen nieuwe wapens gearriveerd voor Rabbani en zijn militaire meesterbrein Ahmed Shah Massoud. Volgens de Far Eastern Economic Review arriveerden alleen al op 22 november vorig jaar 13 vluchten uit het Iraanse Mashad op de luchtmachtbasis Bagram ten noorden van Kabul.

In datzelfde Mashad worden ook enkele duizenden manschappen van de voormalige machthebber van de West-Afghaanse stad Herat, Ismail Khan, getraind om de strategische stad weer aan de Talibaan te ontfutselen. De inname van Herat in september vormde het belangrijkste wapenfeit van de Talibaan vorig jaar. Het was een zware nederlaag voor het Rabbani-kamp, waartoe Khan behoorde. Het shi'itische Iran voelt zich nog steeds zeer onbehaaglijk nu de sunnitische Talibaan zo dicht aan zijn grens staan.

Rusland, dat eveneens beducht is voor het fundamentalisme van de Talibaan en ondanks zijn eigen Afghanistan-trauma van de jaren tachtig graag een vinger in de pap houdt in het land, is het bewind van zijn voormalige aartsvijand Rabbani zo mogelijk nog gunstiger gezind. Moskou zorgt niet alleen voor de bijna dagelijkse aanvoer van Iljoesjins vol wapens maar verzorgt ook het drukken van grote voorraden vers Afghaans bankpapier. Voor het geval Kabul de komende maanden toch mocht vallen helpen de Russen bovendien met de aanleg van de nieuwe luchthaven Taloqan in het noordoosten van Afghanistan, dat stevig in handen is van Massoud. Zo hebben diens vliegtuigen een basis waarop ze eventueel kunnen terugvallen.

De Talibaan en hun bondgenoten hebben intussen evenmin stilgezeten. Pakistan heeft geholpen de gehavende infrastructuur in de Talibaan-gebieden weer wat op peil te brengen. Zo is onder andere het vliegveld van Kandahar, de hoofdplaats van de Talibaan in het zuidoosten van het land, opgeknapt en zijn door de studentenstrijders buitgemaakte vliegtuigen vliegklaar gemaakt.

Voorts hielp Islamabad bij het herstel van de hoofdweg van Kandahar naar Herat, die ook voor Pakistan een belangrijke verkeersader vormt naar Centraal-Azië. Bovendien is aannemelijk dat de Pakistanen de studentenstrijders ook van nieuwe wapens hebben voorzien, al blijven ze zulke leveranties in alle toonaarden ontkennen. Het lijkt evenwel onwaarschijnlijk dat de Pakistanen werkeloos zouden toezien, terwijl andere mogendheden verschillende Afghaanse facties naar hartelust bewapenen.

Verder konden de Talibaan nog rekenen op de aanhoudende financiële steun van de Golfstaten, in het bijzonder Saoedi-Arabië, dat er zeer op is gebrand om de Iraanse invloed in Afghanistan tot een minimum te beperken. Ook de Amerikanen lijken om die reden een lichte voorkeur voor de Talibaan te hebben, al bevalt het fundamentalisme van de studentenstrijders Washington allerminst.

Deze week wisselden de troepen van president Burhanuddin Rabbani en de Talibaan de eerste vijandelijkheden uit. Enkele tientallen mensen verloren het leven bij bombardementen en beschietingen op stellingen van de Talibaan ten zuiden van Kabul en bij artilleriebeschietingen op de stad vielen eveneens doden en gewonden.

Het doel van Massoud is de Talibaan in eerste instantie weer buiten schootsafstand van de hoofdstad te drijven, zoals hem dat vorig voorjaar al enige tijd lukte. De Talibaan daarentegen willen niets meer of minder dan de inname van de hoofdstad.

Zijn er dan nergens meer temperende krachten die een nieuwe bloedige fase in het Afghaanse conflict kunnen voorkomen? Nauwelijks. Weliswaar zijn er deze week in Kandahar zo'n duizend religieuze leiders bijeen die de Talibaan moeten adviseren over hun volgende stap. Maar in plaats van een vredesappèl zullen de deelnemers aan deze shura (vergadering) naar verwachting een oproep tot een jihad tegen het 'niet-islamitische' gezag van Rabbani doen. Een dergelijke oproep zal de inwoners van Kabul verrassen, want Rabbani en Massoud hangen ook al een rijkelijk conservatieve variant van de islam aan.

Verder is er nog de speciale gezant van de Verenigde Naties, de Tunesische oud-minister van buitenlandse zaken Mahmoud Mestiri, die onvermoeibaar bezoeken blijft afleggen aan alle partijen. Maar Mestiri, die tegen beter weten in al meer dan eens heeft verklaard dat er een vredesakkoord was bereikt met alle partijen, bezit langzamerhand weinig geloofwaardigheid meer.

De enige straal hoop komt uit Islamabad. De New York Times berichtte deze week dat de Pakistaanse regering haar handen van de Talibaan lijkt af te trekken. Het fundamentalisme van de Talibaan, die al ettelijke doodvonnissen en lijfstraffen hebben voltrokken en vrouwen grotendeels uit het openbare leven hebben verdrongen, is pijnlijk voor premier Benazir Bhutto. Zij schildert haar land tegenover het Westen immers af als een bolwerk tegen het fundamentalisme.

Met het oog hierop zou Islamabad nu willen aansturen op een vredesakkoord tussen alle partijen. Binnen Pakistan bestaan er echter ook andere, meer Talibaan-gezinde krachten, zoals minister van Binnenlandse Zaken Naseerullah Babar die de studentenstrijders juist ten volle blijft steunen.

Het ligt niet in de aard van de Afghaanse leiders de wapens te laten rusten, wanneer ze zich zojuist met veel moeite hebben voorzien van nieuwe voorraden. Een Afghaan schaft een wapen aan om te gebruiken, niet om in de kast te leggen. Zo wijst alles erop dat de geteisterde bevolking van Kabul en omstreken zich kan opmaken voor meer oorlogsleed. Velen zouden wel willen vluchten, maar missen de energie en het geld om zich naar veiliger oorden te begeven.