Zweeds-Zwitserse concern is de grootste particuliere investeerder Oost-Europa; ABB gelooft heilig in globalisering

Grootscheepse investeringen in Centraal- en Oost-Europa legden de Zweeds-Zwitserse engineeringsgigant Asea Brown Boveri geen windeieren. De 70 ABB-vestigingen in die regio's bieden nu al werk aan 30.000 werknemers die acht tot tien keer minder verdienen dan hun westerse ABB-collega's. Deze vestigingen leveren o.a. goedkope produkten en onderdelen aan 'dure' westerse ABB-vestigingen. En daarmee kan ABB weer beter concurreren in Amerika en Azië.

Het Zamech-complex in het Noordpoolse stadje Elblag nabij Gdansk is een opvallende collectie van zeer antieke, maar zichbaar opgelapte en soms fel beschilderde fabrieksgebouwen waartussen kortgeleden enkele hypermoderne bedrijfspanden zijn opgetrokken. Op een vrieskoude binnenplaats staan enkele kolossale 1.000 megawatt-stoomturbines en een paar kleinere 50 megawatt-gasturbines, waarvan de rotorbladen schitteren in de voorjaarszon. Ze worden ingepakt en binnenkort verscheept naar landen als Duitsland, Nederland, Egypte en India. Binnen in grote produktiehallen zoemen monsterachtige boor-, frase- en meetmachines van exotisch klinkende Duitse Mittelstands-firma's als Waldid Coburg, Dörries Scharmann of Boehringer.

Welkom bij ABB-Zamech dat bijna zes jaar geleden kort na de val van de Berlijnse Muur de eerste aanwinst op ex-communistisch territoir werd van de Zweeds-Zwitserse engineering-gigant Asea Brown Boveri, specialist in zaken als opwekking en transport van energie, industriële apparaten en systemen, robots en wat al niet.

“Vrijwel alles is hier veranderd”, zegt de enthousiaste Pawel Olechnowicz, een 44-jarige Poolse metallurg en topman van ABB-Zamech, die oogt als de jeugdige Lenin, maar is gepokt en gemazeld in de modernste westerse managementtechnieken. “Een van de grootste uitdagingen was het bijscholen vab duizenden managers en technici”, vervolgt hij. “Hun technische kennis was vaak meer dan voldoende, maar van kostenbesef, marketing, klantgerichtheid, boekhouden, of modern management hadden ze geen kaas gegeten.” Toen Zamech nog een gecentraliseerd en log staatsbedrijf was, vervolgt Olechnowicz zag je overal verspilling: van personeel, van energie, materiaal, opslagruimte, noem maar op. “Niemand wist wat winst of verlies opleverde. De Zamech-mensen waren gewend aan vaste overheidsopdrachten tegen vaste prijzen. Toen ze er eindelijk op uit moesten om te verkopen, voelden ze zich ellendig als bedelaars.”

Na ontelbare trainingen - sinds kort heeft ABB een eigen managementschool in Warschau - buitenlandse stages en bijstand van westerse ABB-collega's is dat nu vrijwel allemaal in z'n tegendeel veranderd, vertelt Olechnowicz. En hoewel het aantal werknemers in zes jaar van ABB-regime terugliep van 4.400 naar 3.400 - maar nu weer geleidelijk gaat groeien - verviervoudigde de omzet in 1995 tot 285 miljoen dollar en werd een netto winst geboekt van 21 miljoen.

Was Zamech destijds ABB's eerste Oosteuropese aanwinst, nu zijn er al zo'n zeventig ABB-produktievestigingen in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie waar in totaal 30.000 mensen werken die vorig jaar zorgden voor een omzet van 1,65 miljard dollar. Dat gaat van Zamech in Elblag tot Ust' Kamenogorsk in Kazachstan, en van het gehavende Kroatosche Karlovac tot St. Petersburg. Daar nam ABB twee jaar geleden de Russische krachtcentrale-bouwer Nevskii over en werd een joint venture gesloten met het ontwerpbureau Saturn dat ooit de motoren ontwikkelde van de Sukhoi-27, de modernste Russische standaard-straaljager.

Toen de managers van Nevskii aarzelden over ABB's overnamevoorwaarden liet ABB-topman Percy Barnevik hen met zijn privé-jet overvliegen van St. Petersburg naar Elblag waar ze de kwestie in het Russdisch konden doorspreken met hun Poolse collega's van Zamech. De Russen raakten daar onder de indruk van de lokale autonomie die ABB z'n Oosteuropeaanse medewerkers gunde en stemden in met de overname. Elke twee maanden komt er zo'n aanwinst in het voormalige oostblok bij en als het aan de ABB-leiding in Zürich ligt, moeten in 2000 minstens 40.000 Centraal- en Oosteuropese werknemers een omzet van 3 à 4 miljard dollar realiseren.

Inmiddels is Asea Brown Boveri de grootste particuliere investeerder in de ex-communische regio geworden. Anders dan sommige concurrenten liet ABB zich niet afschrikken door de onvermijdelijke chaos in nieuwe markteconomieën, door mafia, grote afstanden en krakkemikkge communicatie. Toch hangt er aan deze spectaculaire expansie een pijnlijke prijskaart. Tussen 1990 en 1995 schrapte ABB 40.000 arbeidsplaaten in Europa en nog eens 14.000 in de Verenigde Staten. Tegelijk schiep het concern 30.000 nieuwe banen in het voormalige oostblok en 16.000 in Azië. “Het was vooral de krachtige accentverschuiving richting Centraal- en Oost-Europa die ons in staat stelde de winstgevendheid sterk op te voeren ondanks flauwe markten en een betrekkelijk trage ordergroei”, vertelde onlangs de Zwitserse co-voorzitter David de Pury van ABB's raad van commissarissen. “Terwijl concurenten als het Amerikaanse Westinghouse hun cijfers onder druk zagen komen, konden wij de netto winst in 1995 met 73 procent opvoeren tot 1.315 miljoen dollar.”

De Pury wees er op dat de ABB-employés in Oost-Europa gemiddeld 400 uur per jaar meer werken dan hun Westeuropese collega's. En kost een Poolse werknemer bij Zamech het concern 2,5 dollar per uur, een Duitse collega kost al snel het tienvoudige. Wel ligt de produktiviteit in West-Europa - ondanks grote Oosteuropese progressie op dit punt - doorgaans nog hoger. Maar dat heeft ook te maken met het feit dat in het westen in het algemeen kapitaalintensiever is geïnvesteerd. En dat zorgt er omgekeerd weer voor dat in West-Europa ook het 'break-even-point', het punt waarop een bedrijf winst gaat maken, hoger ligt dan in het oosten.

Wat allemaal niet wegneemt dat de oostwaartse migratie van ABB-banen in de beginjaren negentig in het westen hard aankwam. Vooral in het dure Duitsland snoeide ABB keihard en werd topman Percy Barnevik in vakbondskringen uitgemaakt voor een 'industriële Genghis Khan' of een 'notoire internationalistische winstjager'. Toen er in de ABB-vestiging in Mannheim 4.000 banen op de tocht kwamen, raakte de atmosfeer zo vergiftigd dat ABB's Duitsland-chef Eberhard von Koerber speciale politiebescherming kreeg.

Westeuropese vakbondsleiders blijven intussen hoop koesteren dat de Oosteuropese werknemers veeleisender zullen worden waardoor de sterke loonverschillen tussen oost en west in snel tempo kunnen afnemen. Vooral vanuit Duitsland zijn er vele delegaties oostwaarts gereisd om de post-communisten te leren hoe effectief te onderhandelen en zonodig te staken. Maar de Oosteuropese bonden hebben ook het nodige geleerd sinds de Berlijnse muur het begaf. “Westerse bonden houden hier conferenties en seminars waar ze ons uitleggen hoe we zo snel mogelijk zo hoog mogelijke lonen kunnen afdwingen”, aldus een vakbondsvertegenwoordiger in het Tsjechische Brno waar 5.800 mensen bij ABB werken en dat daarom wel 'company town' wordt genoemd. “Maar de materiaal- en investeringskosten zijn bij ons al bijna net zo hoog als in het westen en lagere lonen zijn nu ons voornaamste comparatieve voordeel. Dat mogen we niet negeren. We moeten realistisch zijn.”

Toch bestaat er volgens ABB's hoogste baas Barnevik geen enkele grond voor het zogeheten LLS, ofwel het lage lonenlanden-syndroom: de angst voor permanent banenverlies gebaseerd op de misvatting dat verlies van arbeidsplaatsen in het westen direct samenhangt met met banengroei in het oosten. Alsof er sprake zou zijn van een stelsel van regionale 'communicerende vaten'.

Onzin, oordeelde onlangs ook ABB-commissaris David de Pury en moemde enkele voorbeelden om te illustreren dat de westerse ABB-vestigingen zich niet bedreigd hoeven te voelen. Zo verkaste ABB-Zwitserland kort na de val van het communisme 40 procent van zijn toenmalige produktiecapaciteit naar Polen en Tsjechië. Toch wist dezelfde Zwitserse vestiging z'n orderontvangst de laatste zes jaar te verdubbelen en z'n winstgevendheid sterk te verbeteren.

Ook de grote ABB-fabriek in Mannheim zag destijds de nodige capaciteit oostwaarts vertrekken en plaatste vorig jaar voor 35 miljoen mark aan bestellingen bij ABB-fabrieken in Polen. Maar omgekeerd ontving de ABB-fabriek in Mannheim voor 80 miljoen mark aan orders van de ABB-collega's uit Polen die er voor de lokale markt produceren. En de werkgelegenheid bij ABB in West-Europa vertoont weer een licht stijgende tendens.

Hoe kan dat? Allereerst is er de expansie op de Centraal- en Oosteuropese markten. “Die regio heeft 400 miljoen bewoners die vele honderden miljoenen moeten investeren in het opknappen van hun infrastructuur”, aldus ABB-topman Barnevik. “Als wij ze daarbij helpen is dat goed voor ABB, voor hen en ook voor overig Europa. Want een welvarender Oost-Europa bezorgt uiteindelijk ook West-Europa meer welvaart.”

Daar komt bij dat de Centraal- en Oosteuropese vestigingen van ABB niet alleen voor hun lokale markten produceren, maar tegelijk worden aangesloten op ABB's wereldwijde produktienetwerk. Wat inhoudt dat vooral arbeidsintensieve produktieonderdelen bij voorkeur in het oosten worden verricht en die produkten voorvolgens tegen fracties van de westerse prijzen aan westerse ABB-vestigingen worden geleverd. Zo gaat bijna een kwart van de produktie van turbinemaker ABB-Zamech in Elblag naar zustervestigingen in met name Duitsland, Zwitserland en Scandinavië. En hetzelfde geldt voor de helft van de produktie van de generatorenbouwer ABB-Dolmel in het Zuidpoolse Wroclaw. Geen wonder, ze zijn gemiddeld 40 procent goedkoper dan westerse leveranciers.

“De aansluiting van de Oosteuropese vestigingen op ons globale netwerk maakt ABB niet alleen in Europa goedkoper”, aldus David de Pury, “maar stelt ons in staat om overal, ook in Amerika en Azië, scherper te concurreren. Net zoals Japanse bedrijven dat in Zuidoost-Azië doen en de Amerikanen in Mexico.” Hoewel deze ontwikkeling op korte termijn Westeuropese banen kost, zal die op de langere termijn door de grotere winstgevendheid juist banen opleveren. De Pury: “En dat zijn dan solide banen. Het is een win-win-situatie.” Ook in politiek opzicht zijn Westeuropese investeringen in Oost-Europa zijns inziens puur westers eigenbelang. Wat zonder die kapitaal- en kennisinjecties zouden Oosteuropeanen en Russen langer berooid blijven en vatbaarder zijn voor plagen als extreem nationalisme, militarisme, anti-semitisme of zelfs burgeroorlog.

Het Zweeds-Zwitserse Asea Brown Boveri noemt zich op dit moment weliswaar de grootste particuliere investeerder in het voormalige Oostblok maar is zeker niet de enige. De Duitse concurrent Siemens heeft er niet veel minder werknemers in dienst, maar zit in minder landen. Vooral de 8.400 Siemens-employés in Tsjechië en hun 10.000 collega's in Rusland vallen op. Het Amerikaanse General Electric concentreert de Europese gloeilampenproduktie steeds meer in zijn grote Tungsram-fabriek in Boedapest. En concurrent Philips verkaste inmiddels meer arbeidsintensieve onderdelen van de lampenproduktie naar zijn Poolse vestiging Polam Pila waar nu enkele duizenden mensen werken. “Als je ziet dat je concurrenten daar ook heen gaan, kun je niet achterblijven”, zegt een Philipswoordvoerder. “Vanuit Polen werken we zowel voor de plaatselijke als voor de Westeuropese markt.” Fiat maakt inmiddels al z'n Cenquento-compacts in Polen, Opel vervaardigt z'n Astra's in Hongarije en Audi produceert daar nieuwe 4 cilinder motoren.

Dat zijn slechts enkele voorbeelden uit vele. Volgens recente opgaven van de Unctad (VN-conferentie inzake handel en ontwikkeling) in Genéve sloten buitenlandse ondernemingen sinds 1989 ongeveer 140.000 akkoorden in Centraal- en Oost-Europa wat een investeringen ter waarde van 28 miljard dollar opleverde. Al komt de Economist Intelligence Unit in zijn nieuwste rapport over 'Economies in Transition' uit op 35,7 miljard dollar. Maar zelfs dat is nauwelijks spectaculair vergeleken met een land als China, de grootste kapitaalmagneet buiten de rijke wereld die alleen vorig jaar al 38 miljard dollar wist aan te trekken. Dit jaar zal dit bedrag door de zelfgecreëerde troebelen rond Taiwan vermoedelijk lager uitvallen.

Toch wijzen economen er met een schuin oog naar Oost-Europa op dat buitenlandse investeringen niet het hele verhaal vertellen. Want vele westerse bedrijven, met name uit Duitsland, Oostenrijk en Zweden besteden ook steeds meer produktie in het oosten uit en drukken hun kosten door produkten en onderdelen, van bouten en moeren tot hele machines, door Oosteuropese bedrijven te laten maken of assembleren.Hoewel westerse aspirant-investeerders zich het afgelopen jaar wat gedesillusioneerd toonden door de terugkeer van oude communistische politici in enkele Oosteuropese landen en door de onzekerheid in Rusland, blijft het een feit dat de westerse investeringen er jaarlijks toenemen. Vorig jaar stroomde er volgens de Unctad voor ruim 8 miljard dollar naar de regio, waarvan de Duitsers 3,3 miljard of eentiende van hun totale buitenlandse investeringen, voor hun rekening namen. Nederlandse bedrijven komen op jaarbasis in Oost-Europa niet verder dan circa 0,5 miljard dollar aan investeringen.

ABB-commissaris David de Pury maakt zich zorgen over de zijns inziens te navelstarende Europese Unie. Zoals niet alleen zou blijken uit de matige investeringen in Oost-Europa en Rusland maar ook uit de handelscijfers. Maakte in 1985 de intra-Westeuropese handel nog de helft uit van alle door West-Europa bedreven handel, nu is dat al opgelopen naar ruim tweederde.

Deze introvertie moet, volgens De Pury, plaats maken voor een meer extraverte houding. “Terwijl het aandeel van de intra-regionale handel elders in de wereld slinkt door de groei van de globale markten, is het in West-Europa blijven groeien.” En zulks is niet goed, oordeelt de Zwitser. “De relevante markt is nu de wereldmarkt: Europa, Amerika en Azië. Dat ontdekken zelfs middelgrote ondernemingen die willen presteren. Globale aanwezigheid betekent concurrentievoordeel. Je kunt dan spelen met je bedrijven en divisies, als op een piano; inzinkingen verzachten tijdens recessies, protectionisme omzeilen en voordeel putten uit valutaverschillen.”

Kortom, West-Europa moet zich, volgens de Zwitser, realiseren dat het Centraal- en Oost-Europa dringend nodig heeft om z'n concurrentievermogen op de wereldmarkt te handhaven.