Zeggen wat niet is; De woordgrappen van Swift in Gullivers reizen

Jonathan Swift liep tegen de zestig toen hij een boek schreef waarmee hij het mensdom als geheel aanviel: Gullivers reizen. Het boek werd wereldberoemd en is veelvuldig in het Nederlands vertaald. De vertaling van Sem Davids uit 1957 is nu opnieuw uitgegeven. “Swift bedrijft satire door de zuivere waarheid te zeggen.”

Jonathan Swift: Gullivers Reizen. Vert. S. Davids. Uitg. Manteau, 346 blz. Prijs ƒ 54,90

Voor de westkust van Europa ligt een eiland dat ons het zicht op Amerika beneemt. De bewoners van dat eiland menen zelfs dat zij, en zij alleen, de wettige eigenaren zijn van de taal van Updike en Bellow, van Conrad en Nabokov, van Naipaul en Rushdie, van King en Gandhi, van Lincoln en Kennedy! Geen wonder dat de Europeaan altijd verbaasd naar dat Engelse eiland kijkt en dat wij Nederlanders er tientallen oorlogjes tegen gestreden hebben totdat De Ruyter hun hele vloot aan een touwtje de Theems uit trok en wij ons de winnaars noemden.

De geografische rechtvaardigheid heeft ervoor gezorgd dat voor de westkust van het Engelse eiland weer een, kleiner, eiland ligt dat de Engelsen het zicht op Amerika beneemt. Uit dat Ierse eiland zijn in de vorige en deze eeuw miljoenen hongerlijers naar Amerika geëmigreerd. Die miljoenen zorgen door hun stemmacht dat elke Amerikaanse president aardig tegen Ierland, en daarmee onaardig tegen Engeland, moet doen. En dat terwijl toch uit Engeland ook miljoenen over de oceaan zeilden. Maar die zijn hun vochtige eiland na een generatie al vergeten, terwijl de haat der Ieren tegen hun Engelse onderdrukkers van generatie op generatie wordt overgedragen en een Ierse bom in Londen voor applaus zorgt in Chicago en New York, meer dan in Dublin en Belfast.

Archimedes zei dat hij de aarde kon verplaatsten als hij maar een stevig punt buiten de aarde had. Ierland is dat hefboompunt voor Engeland. Een Ier, en zelfs een Engelsman in Ierland, ziet Engeland in zijn ware gedaante. Alle grote Engelse schrijvers zijn Ieren en als ze het niet zijn, dan hadden ze het horen te zijn.

Jonathan Swift werd in 1667 geboren in Dublin, de stad waar twee eeuwen daarna Wilde, Shaw, Yeats, Joyce en Beckett geboren worden. De ouders van Swift waren Engels, maar hij groeide op in Ierland. Na zijn studie ging hij naar Engeland, waar hij in dienst kwam bij Sir William Temple, ooit ambassadeur in Den Haag en vriend van Willem van Oranje. Swift werd pamflettist, eerst voor de ene partij en toen voor de andere. Omdat hij zich wat erg hardhandig uitdrukte, viel hij in ongenade bij de koningin. Zijn vrienden bezorgden hem een kerkelijke baan in Dublin. Hij wou geen Ier zijn. Hij keek als alle Engelsen op de Ieren neer, vond ze bijgelovig want rooms, primitief want arm, beestachtig want warmbloedig. Maar hij ontwikkelde zich ondanks dat vooroordeel tot voorvechter van de Ierse zaak. Als over een eeuw de Engelsen uit Ierland vertrokken zijn en als hun wandaden vergeten zijn, dan zal nog ten eeuwigen dage Swifts pamflet Een Bescheiden Voorstel gelezen worden, waarin hij de Ierse armoe wil opheffen door Ierse kinderen vet te mesten, te slachten en op de Engelse eettafels als smakelijk hapje neer te zetten.

Swift had een duivels scherpe pen, die hij opportunistisch en voor thans vergeten zaken hanteerde. Hij loopt tegen de zestig als hij een boek schrijft dat niet tegen een bepaalde politieke partij is gericht, maar het mensdom als geheel attaqueert. Hij kiest de vorm van het fantastische reisverhaal.

Het is de eeuw van reisverhalen. Wij vieren dit jaar de jubilea van Bontekoe en Nova Zembla. Het is ook de eeuw van het fantastische reisverhaal: in Frankrijk Cyrano de Bergerac die zelfs naar de maan gaat, en in Engeland Daniel Defoe die zijn Robinson naar het onbewoonde eiland brengt. Al veel langer kent men de 'staatsroman', zoals Quack die noemt. Begonnen met De Staat van Plato, en met Utopia van Thomas More als hoogtepunt. Dat fantastische reisverhaal en die staatsroman gaat Swift viervoudig overtreffen in de vier reizen van zijn held Lemuel Gulliver.

De eerste twee delen zijn wereldberoemd en liggen in elke kinderkast. Gulliver komt in Lilliput, waar iedereen twaalf maal zo klein is als hij en daarna verzeilt hij in Brobdingnag waar iedereen twaalf maal zo groot is als hij.

Wat is Gullivers eerste zorg als hij merkt dat de dwergen hem met duizend dunne draden hebben vastgebonden? Hoe hij naar de wc moet. Vol ontzag zien de Lilliputters hem kakken. Later marcheert het Lilliputse leger onder zijn benen door en kijkt met nog meer ontzag omhoog in zijn kapotte broek. We zijn twee eeuwen vóór Freud, maar iedereen begrijpt dat de verhouding 1 : 12 niet alleen die is van inch tot voet, maar ook van penis tot man. Een brandje in het Lilliputter koninklijk paleis blust hij met zijn reuzenspuit, wat hem de vijandschap van de koningin bezorgt. Hij weet nog de hele vloot van een buurland aan een touwtje weg te trekken, maar de dwergen dreigen hem toch te liquideren of in ieder geval blind te maken.

Bij de reuzen hebben 'de hofdametjes er schik in hem te bekijken en te betasten. Menigmaal kleedden ze me compleet uit van top tot teen en legden me zo lang als ik was tussen haar borsten, hetgeen ik bijzonder weerzinwekkend vond. Want, om de waarheid te zeggen, haar huid geurde alleronaangenaamst (-). De knapste van die hofdametjes, een guitige dartele meid van zestien jaar, zette me soms schrijlings op een van haar tepels en haalde nog veel andere kunstjes met mij uit, waarvan de lezer mij het uitvoerige relaas wel zal willen schenken'. Ook valt hij in een koeienvlaai en krijgt net als Ajax zijn mond vol stront.

Gulliver vertelt zijn gastheren hoe het in Engeland toegaat, en zijn relaas verbaast hen zeer. Maar eigenlijk gaat het in Lilliput en Brobdingnag vergelijkbaar toe en is het alleen de andere schaal die alles raar doet schijnen.

De derde reis brengt Gulliver wel in een bizarre omgeving. Niet vanwege de maat, maar vanwege de toestand der techniek. Dit derde deel is eigenlijk een verzameling science-fiction-verhalen. Maar van een bijzondere soort.

De toon van Science Fiction is altijd positief. Kijk eens wat een prachtige uitvindingen we in de toekomst krijgen! Swifts toon is heel anders. Ook hij beschrijft met een voorspellend vermogen waar Jules Verne niet aan kan tippen, een serie uitvindingen. Maar hij laat daarbij zien hoe die geperverteerd worden of onzinnig zijn. Een vliegende schotel, een kunstmaan, dient om de aardbewoners uit de lucht te kunnen bombarderen. Een computer wordt gebruikt om onzinnige teksten uit te kramen. Biologische psychiatrie wordt gebruikt om imaginaire zieken van hun imaginaire ziekten af te helpen. Schooljongens moeten formules leren door ze, op een ouwel geschreven, in te slikken en zo in hun hersens te laten zinken, maar ze kotsen ze uit. De ideale taal blijkt te bestaan uit een zak vol dingen die men vertoont als men hun naam wil noemen. De geleerden zijn zo abstract bezig dat ze bedienden nodig hebben die ze met klapjes bij de wereld houden. Raadselachtigst is de vermelding, in het voorbijgaan, dat de astronomen twee manen van de planeet Mars ontdekt hebben. Mars heeft inderdaad twee manen, maar die werden pas in 1877 door Asaph Hall ontdekt. In 1959 heeft de Russische astronoom Sjklowki de theorie gelanceerd dat het hier om kunstmanen gaat. Wie Swift kent, zal dat inderdaad geloven. Ik heb er nooit meer over gehoord.

Hoogtepunt van de derde reis is de ontmoeting met de Struldbruggen, wezens die niet kunnen sterven. Gulliver fantaseert eerst hoe heerlijk hun eeuwige leven zal zijn, maar bij de ontmoeting blijken het weerzinwekkende wanstaltigheden die door iedereen geminacht en gehaat worden. Ze hebben geen burgerrechten meer want anders zouden ze alles bezitten en omdat ze niet kunnen regeren, zou de natie ten onder gaan.

Hoogtepunt van Gullivers Reizen is het vierde boek. Op de universiteit had Swift les gehad in logika, zoals dat toen gebruik was. Wij hebben het leerboek waar hij de syllogistiek uit leerde. Dat bevatte deze twee voorbeeldzinnen:

Homo est animal rationale (de mens is het redelijke wezen)

Nullus equus est rationale (geen paard is redelijk)

De zeventienjarige Swift vond dat onredelijke, ijdele aannames. Een centaur is half mens, half paard. Zou bij de scheiding werkelijk al het verstand naar de mens gaan en al de bestialiteit naar het paard? Zou het hier niet om een homoniem kunnen gaan; een woord dat twee verschillende betekenissen in zich bergt. Zo kwam Swift op de Houyhnhnm, het rationele paard, dat het land van Gullivers vierde reis bewoont. Een ander woord voor homoniem is equivoque, en daar komt dan dat paard vandaan. Dat homo niet mens maar gelijk betekent, en dat equi niet paarden maar gelijk betekent, dat is nu juist het soort woordgrap waar Swift zijn hele leven in excelleerde.

In het land der beschaafde Houyhnhnmen leven ook mensen. Ze heten Yahoos en het zijn primitieve, beestachtige, vieze en verachtelijke wezens, ongeveer zoals Engelsen Ieren zien. Gulliver lijkt erg op hen, maar hij wil bij de Houyhnhnmen horen. Daar kan hij verstandig en beschaafd mee praten. Hij vertelt ze alles over Engeland en de paarden vallen achterover van zijn verhalen. Ze geloven hem bijna niet. Zoveel corruptie en onrechtvaardigheid - dat kan toch niet? Ze komen niet op het idee dat Gulliver liegt, want ze weten niet wat liegen is. Ze hebben er zelfs geen woord voor. Ze moeten liegen aanduiden als: zeggen wat niet is.

Hier neemt Swift de paarden en de snelle lezer, in het ootje. Een taal kan heel goed beschikken over woorden die zaken aanduiden die in de cultuur van die taal als niet-bestaand beschouwd worden. Zo kennen wij de woorden dwerg en reus. De broer van Belcampo beweert in het voorwoord van zijn Twentse woordenboek dat er in het Twents geen woord voor toekomst is, omdat de Twenten zo redelijk zijn dat ze weten dat er over de toekomst niets te zeggen valt. Dat geloof ik niet. Zo kunnen de paarden moeilijk geloven dat Gulliver niet overdrijft als hij de gewoontes van Engelse artsen, rechters en politici beschrijft.

Satire bestaat vaak uit overdrijving. Hier bedrijft Swift satire door de zuivere waarheid te zeggen, en de buitenlandse toehoorders aan die waarheid te doen twijfelen, terwijl die buitenlanders niet eens weten wat liegen is. Overigens verzwijgt Gullivers paard-gastheer dat zijn medepaarden hem uit de weg willen ruimen. Ook die paarden blijken niet helemaal eerlijk. En ook de Houyhnhnmen blijken te lijden aan het vooroordeel dat iemands uiterlijk zijn ware aard verklapt: ze blijven hem als een Yahoo zien. Maar dan toch zeker een Yahoo van adel, veronderstelt paard-gastheer beleefd.

Nee, zegt Gulliver, ik ben niet van adel en hij verzekert de Houyhnhnm: “dat onze jonge edellieden van kindsbeen af in ledigheid en weelde worden grootgebracht; dat zij, zodra hun leeftijd het gedoogt, hun kracht verspillen aan wulpse wijfjes, bij wie zij nare ziekten oplopen, en later, wanneer hun vermogen er vrijwel doorgejaagd is, trouwen met een vrouw van lage afkomst, onaangenaam uiterlijk en ziekelijk gestel, louter alleen om het geld, iemand die zij haten en minachten; dat zulke huwelijken meestal klierachtige, krombenige of mismaakte kinderen opleveren, zodat het geslacht zelden langer duurt dan drie generaties, tenzij de vrouw er voor zorgt zich onder haar buren of bedienden van een gezonde vader te voorzien om het ras te verbeteren; dat een slap verziekt lichaam, een mager gezicht en een vuilgele huidskleur de ware kentekenen zijn van blauw bloed; en dat een gezond en stoer uiterlijk zo onpassend is bij een edelman, dat iedereen de conclusie trekt dat zijn werkelijke vader stalknecht of koetsier is geweest. De gebreken van de geest houden gelijke tred met die van het lichaam, zij vormen een mengsel van verveling, loomheid, domheid, nukkigheid, zinnelijkheid en trots.

Zonder de toestemming van deze doorluchtige groep kan geen wet worden afgekondigd, herroepen of herzien; en bij die edelen berust insgelijks de beslissing over al wat wij bezitten, zonder hoger beroep'.

Al ruim tweeënhalve eeuw lezen alle Engelsen dit over hun lords en toch hebben ze daar nog steeds een erfelijk Hogerhuis!

Geestig is dat, als Gulliver uit het land der Houyhnhnmen ontsnapt, hij de Yahoo-mensen verafschuwt, maar dat de Portugese kapitein die hem opneemt heel sympathiek is. De lezer merkt dat alle vooroordelen niet altijd opgaan. Als Lemuel thuiskomt, 'nam mijn vrouw mij in haar armen en kuste mij, waarop ik, de aanraking van dit weerzinwekkende dier al zoveel jaren ontwend, een flauwte voelde die bijna een uur duurde'. Met dat 'weerzinwekkende dier' moet Gulliver expliciet op zijn echtgenote doelen, want hij heeft in Houyhnhnm-land de aanraking gevoeld van een Yahoo-meisje dat hem bijna verkracht, een verhaal dat ik maar niet vermeld heb, omdat u me anders van ongezonde belangstelling zou verdenken. Hij koopt twee paardjes waar hij elke dag vier uur mee praat.

De citaten nam ik, met een enkele verbetering, uit de net verschenen vierde druk van de vertaling die Sem Davids in 1957 maakte. Het is geen slechte vertaling, maar je moet woorden als teerkost en mosterdjongen wel even opzoeken. Al een jaar na de Engelse verschijning verscheen in Den Haag de Nederlandse vertaling, de eerste van op zijn minst een dozijn. Daar zijn beroemde vertalers bij zoals Albert Verweij (1888) en Jan Mens (1957), en ook kinderboekenschrijvers als Joh. Kieviet (1922) en A.D. Hildebrand (1953). Dat Manteau deze vertaling weer herdrukt is mooi, maar ze hadden hem wel even mogen nalopen op foutjes en ouderwetsigheden.

Er komt heel wat Nederland in Gullivers Reizen voor. Gulliver heeft in Leiden medicijnen gestudeerd, zodat hij scheepsarts kan worden en zich door schipbreuk of muiterij aan onbekende kusten kan verliezen. Op de kaarten zien we Nederlandse woorden als Ongeluckig en Maelsuycker. Hollandse kapers mishandelen hem. Als hij naar Japan vlucht geeft hij zich daar met succes voor Hollander uit. Maar hij weigert op het kruis te trappen. De Japanse keizer vindt dat goed, maar hij zei dat hij “er dus aan begon te twijfelen of ik wel een echte Hollander was, maar mij er veeleer van verdacht een Christen te zijn”. Op 6 april 1710 komt Gulliver veilig in Amsterdam aan.