Van wie is Così fan tutte?; Duitsland en Polen strijden over de collectie van de Pruisische Staatsbibliotheek

Jarenlang wist niemand waar ze waren: de originele partituur van Mozarts opera Così fan tutte en honderden andere belangrijke manuscripten uit de Pruisische staatsbibliotheek, die in 1940 was geëvacueerd uit Berlijn. Pas in 1978 dook de beroemde verzameling op in de Poolse stad Kraków. Duitsland wil de collectie nu terughebben. Polen eist daarvoor compensatie. “We willen de boeken terug die de Duitsers van ons hebben gestolen”, zegt onderminister van cultuur Tadeusz Polack.

In 1978 was de beroemde Amerikaanse pianist Malcolm Frager in Kraków voor een concert met het plaatselijke symfonieorkest. Hij zou een uitvoering geven van Mozarts Pianoconcert KV 595. De dag voor het concert stapte Frager de universiteitsbibliotheek binnen met de mededeling dat er volgens hem in zijn gedrukte versie van de partituur enkele fouten stonden. Of hij misschien even het origineel, dat hier zou moeten liggen, mocht inzien om het te controleren.

Tot Fragers verbazing werd hem even later het manuscript overhandigd alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Met tranen in de ogen bekeek hij het authentieke handschrift van Mozart. Of zijn versie inderdaad afweek van het origineel vermeldt het verhaal niet. Wat rest is zijn naam in het register, samen met de plaats en de datering: 'augustus 1978'. Meteen daaronder staat de datum van de vorige gebruiker: 'Berlijn, maart 1938'.

De Jagiello Universiteitsbibliotheek in Kraków is een strak, okergeel gebouw uit de jaren dertig. Het interieur ademt nog steeds de sfeer van die tijd. Ik zit in een rommelig kamertje aan een lange tafel. Tussen de stapels boeken en paperassen is nog net een plekje vrij. Voor me liggen een vies plastic mapje dat met een touwtje is dichtgebonden, en een nog oudere slap-kartonnen map. Een strenge mevrouw mompelt een paar onverstaanbare woorden, wijst op twee houten kaartenbakken onderin een archiefkast en verdwijnt.

Ik maak het touwtje los en bekijk de verbleekte fotokopieën. Eén blik is voldoende om te beseffen welke waarde deze smoezelige A-viertjes vertegenwoordigen. Eerst lees ik alleen de namen: Mozart, Beethoven, Telemann, Schubert, Bach, een enorme lijst met Cherubini, Bruckner, enzovoort, enzovoort. Bij elkaar zijn het 43 vellen met een paar duizend titels van composities - de oorspronkelijke partituren, in het handschrift van de componist zelf, bevinden zich ergens in het gebouw.

Vooral de verzameling werken van Mozart is indrukwekkend. Ik zie tientallen symfonieën, trio's, strijkkwartetten, een aantal vroege pianoconcerten, maar ook latere, zoals KV 453 in G-groot en natuurlijk KV 595 in Bes-groot. Tussen een reeks concertaria's staan twee actes uit La Clemenza di Tito en even verderop kom ik ook La Finta Giardiniera tegen en Il re pastore. Daarna volgen onder meer vioolsonates, de Mis in C-groot, en de complete Le Nozze di Figaro. Così fan tutte heb ik kennelijk over het hoofd gezien, want ook die schijnt hier te liggen. De collectie bevat ongeveer een kwart van alle bewaard gebleven autografen van Mozart.

Gewoonlijk is een enkel velletje met een paar noten die door Haydn zelf zijn opgeschreven al genoeg om opgewonden over te raken. Hier let ik alleen nog op complete symfonieën, zoals Die Uhr, schetsen en onvolledige werken sla ik over. Bach hou ik na een stuk of twintig cantates wel voor gezien. Beethoven gaat weer wat grondiger, maar Loewe, Busoni en Meyerbeer krijgen niet meer dan een vluchtige blik. Aan Cherubini begin ik maar niet eens.

Kaartenbakken

De titels in het kartonnen mapje spreken minder tot de verbeelding, maar dat maakt ze niet minder waardevol. Het zijn veelal anonieme, voornamelijk vijftiende- en zestiende eeuwse handschriften. De kaartenbakken geven een overzicht van de gedrukte partituren, vanaf het prilste begin van de muziekdrukkunst. Bij elkaar gaat het om zo'n twintigduizend originele manuscripten uit Middeleeuwen en Renaissance en originele handschriften van bijna alle abendländische grootheden.

De muziekcollectie maakt deel uit van een van de mooiste en waardevolste verzamelingen boeken en handschriften ter wereld, die van de Preussische Staatsbibliothek uit Berlijn. Behalve originele partituren telt de verzameling meer dan tweehonderdduizend andere manuscripten, variërend van schetsen van Luthers bijbelvertaling en fragmenten uit het werk van Hegel, tot brieven van Goethe en gedichten van Heine. Verder zijn er ook nog de verzameling Varnhagen (autografen en documenten over de Duitse romantiek), de nalatenschap van de schrijvers Von Humboldt en Lenz, en honderden middeleeuwse handschriften.

Sinds enkele jaren betwisten Duitsland en Polen elkaar het eigendom van de collectie. In artikel 28 van het Nachbarschaftsvertrag uit 1991 zijn beide landen overeengekomen om 'problemen die samenhangen met het wederzijdse culturele erfgoed, beginnend bij individuele gevallen, op te lossen'. Maar de collectie van de Preussische Staatsbibliothek is een bijzonder geval. Het is geen oorlogsbuit in de gebruikelijke zin van het woord. De boeken en handschriften zijn niet gestolen, maar door de Polen gevonden. Bij het eerste bombardement op Berlijn in 1940 werd de Preussische Staatsbibliothek zwaar getroffen. De Duitsers besloten het onbeschadigde deel van de collectie in veiligheid te brengen. Het waardevolste gedeelte ging in 505 verzegelde kisten naar slot Fürstenstein. Toen Hitler daar in 1944 zijn hoofdkwartier inrichtte werden de kisten naar het klooster van Grüssau gebracht, een Silezisch dorpje aan de grens met Tsjechosl

wakije.

Na de oorlog heette Grüssau ineens Krzeszów. De geallieerden hadden de Poolse grens een flink stuk in westelijke richting verschoven. Bij de inventarisatie van het nieuwe grensgebied werden op diverse plaatsen delen van de bibliotheekcollectie ontdekt. Een ambtenaar in Krzeszów meldde aan Warschau de vondst van een mysterieuze verzameling verzegelde kisten. Sindsdien leken ze van de aardbodem verdwenen.

In werkelijkheid had het ministerie van onderwijs de inhoud begin 1946 onderzocht en in stilte naar Kraków getransporteerd - vooral uit angst voor het Russische leger, dat zich nog steeds in Polen bevond. Een speciale eenheid van de KGB arriveerde twee dagen te laat in Krzeszów. De kisten waren al verstopt in een klooster en toen het Rode leger eenmaal was vertrokken gingen ze naar de universiteitsbibliotheek. Daar werd de inhoud bewaard in een voor bijna iedereen gesloten afdeling; zelfs de directeur wist niet precies wat hij in huis had.

Bij de teruggave in 1965 van het grootste deel van de collectie aan het bevriende Oost-Duitsland, werd over het gedeelte uit Krzeszów met geen woord gerept. Toch deden steeds meer geruchten de ronde dat ook dit deel niet verloren was gegaan. Uiteindelijk verscheen in 1977 in de Warschause krant Zycie Warszawy, weggemoffeld in een groter artikel, de mededeling dat het kostbare bezit zich in Kraków bevond. Een maand later kwam daarvan het zichtbare bewijs. Bij een officieel staatsbezoek aan Oost-Duitsland kreeg Erich Honecker van partijleider Edward Gierek zes originele handschriften cadeau, waaronder Die Zauberflöte van Mozart.

Steeds meer wetenschappers wisten daarna de weg naar de bibliotheek te vinden. Pianist Malcolm Frager was de eerste westerling die toegang kreeg tot de collectie. De directie besloot het broze bezit alleen voor wetenschappers open te stellen. “En zelfs zij moeten een goede reden hebben om per se het origineel te willen bestuderen”, zegt Krzysztof Zamorski, directeur van de bibliotheek. “De manuscripten zijn te waardevol om zomaar door ieders handen te gaan. De plaatselijke toeristenorganisatie heeft al eens een bus met Amerikanen op ons dak gestuurd, die ook wel een keer een echt handschrift van een beroemde componist wilden vasthouden.”

Slot en grendel

De zorg waarmee de collectie sinds 1945 is geconserveerd, is een van de argumenten om hem voor Polen te behouden. “Waar ze ook staan, deze boeken blijven achter slot en grendel, ze worden alleen tevoorschijn gehaald voor onderzoek”, zegt Zamorski. Dat kan in Berlijn, maar dat kan net zo goed hier. Wij hebben in de afgelopen decennia bewezen dat we goed op de collectie kunnen passen.”

Sinds de ondertekening van het Nachbarschaftsvertrag hebben Duitsland en Polen nu vijf keer om de tafel gezeten. Volgens Markus Ederer, woordvoerder van het Duitse ministerie van buitenlandse zaken, zijn de gesprekken 'constructief' verlopen: “In april 1995 hebben beide partijen de intentie uitgesproken om kunstschatten die zich op elkaars grondgebied bevinden terug te geven. Dezer dagen verwachten we een uitnodiging van de Poolse zijde om verder te praten.” Volgens Tadeusz Polack, de Poolse onderminister voor cultuur, is er echter nog geen enkele vooruitgang geboekt: “Het enige wat de Duitsers zeggen is dat ze hun bezit terug willen. Maar de collectie van de Preussische Staatsbibliothek staat niet op zichzelf. Samen met de Wehrmacht kwamen na 1 september 1939 georganiseerde groepen officieren Polen binnen die allerlei kunstwerken hebben meegenomen - met achterlating van een ondertekende kwitantie, want Ordnung muss sein. Zo zijn zeker 750 duizend schatten geroofd. Van Duitse zijde weigert men daarover te praten.”

De frustratie van Polack is begrijpelijk. De nazi's beschouwden het Poolse grondgebied als Lebensraum voor het eigen volk, de Polen werden gezien als goedkope werkkrachten. De Poolse cultuur moest vernietigd worden. En dat is met een ongekende grondigheid gebeurd. Uit een recente studie in opdracht van het Poolse ministerie van cultuur blijkt dat de nazi's de Poolse geschiedenis probeerden uit te wissen door het complete boekenbezit te vernietigen. Staats- en universiteitsbibliotheken moesten het ontgelden, maar ook kleine schoolbibliotheken en particuliere verzamelingen. Volgens voorzichtige schattingen zijn meer dan veertig miljoen boeken verbrand, waaronder unieke handschriften en onvervangbare oude drukken.

Polack: “Dan is het toch niet vreemd dat wij compensatie eisen voor de teruggave van de Pruisische collectie. We willen geen geld, zoals de Duitsers steeds beweren, we willen iets om onze lege bibliotheken mee te vullen. We willen de boeken terug die de Duitsers van ons hebben gestolen. En als ze kunnen aantonen dat die niet te vinden zijn, dan verwachten we andere, vergelijkbare boeken.”

Duitsland weigert tot nu toe iedere vorm van compensatie, uit angst om een precedent te scheppen. Volgens Ederer werd in de jaren vijftig betaald voor de oorlogsschade, dat hoofdstuk is definitief gesloten. Waar het nu om gaat is de teruggave van bezittingen aan de rechtmatige eigenaar. Ederer ziet wel dat het geen 'historie-vrije' onderhandelingen zijn, zoals hij het eufemistisch noemt. Er bestaat een conflict tussen het zuiver juridische en het morele recht. Maar dat doet niets af aan het officiële regeringsstandpunt. Polack: “Representanten uit het culturele leven van beide landen zouden samen tot een oplossing moeten komen. We willen niet worden afgescheept met een paar onbeduidende ambtenaren die alleen eisen stellen. Het lijkt wel alsof Polen in 1939 Duitsland is binnengevallen, en niet andersom.”