Van God naar film naar hysterie; John Updike over een eeuw Amerika

John Updike: In the beauty of the lilies. Uitg. Knopf, 491 blz. Prijs ƒ 39,90.

'Er is geen God.' Op de openingspagina's van John Updikes nieuwste roman voelt de Presbyteriaanse dominee Clarence Arthur Wilmot de laatste beetjes geloof uit zich weg sijpelen. Het is in het begin van deze eeuw, en de lezer wordt meegenomen naar het stadje Paterson in New Jersey. Bijna vijfhonderd pagina's en tachtig jaar verder verliest zijn achterkleinzoon Clark ook zijn geloof, in de God van een hedendaagse profeet met wie hij en tientallen andere volgelingen zich hebben verschanst op een met wapens volgestouwd perceel in Lower Branch, Colorado, wachtend op de Dag des Oordeels. Clark schiet de bazelende profeet door hoofd en borst, redt daarmee het leven van de vrouwen en kinderen van de commune, maar komt zelf ook om in een gruwelijke slotscène die niet alleen de gebeurtenissen in Waco, Texas in herinnering roept, maar ook alle kenmerken vertoont van het traditionele filmscenario, waarin de held bij het elimineren van het kwaad zelf ten onder gaat.

Religie en film, een illusie die plaatsmaakt voor illusie, en hoe deze illusies het collectieve bewustzijn van Amerika beheersen, daarmee is het thema genoemd van deze ambitieuze roman, Updikes zeventiende.

De schrijver heeft er voor gekozen de 'eeuw van Amerika' hier uit te beelden door vier generaties van het geslacht Wilmot, die elk, in een eigen lang hoofdstuk, een episode in de recente geschiedenis illustreren. In tegenstelling tot Thomas Marshfield uit Updikes vroege roman A Month of Sundays volhardt Reverend Wilmot in zijn ongeloof, trekt er de consequenties uit en verhuist met zijn gezin naar Delaware waar hij een mager inkomen bijeen probeert te schrapen als huis-aan-huis verkoper van encyclopedieën - de encyclopedie als symbool van de rede, een van de eerste signalen die Updike geeft om de lezer te waarschuwen dat niets zonder betekenis is in deze familiesaga.

De dreun van het geloofsverlies en de eropvolgende sociale degradatie echoën nog lang na. Clarence's gevoelige en angstige zoon Teddie zal nooit meer een kerk van binnen zien en blijft, in een tijd van enorme mogelijkheden, tevreden met een baantje achter de toonbank van de dorps-drugstore. Hij trouwt het manke meisje van het dorp en hun zorgvuldig gekoesterde dochtertje Essie brengt het, in een volgend hoofdstuk, tot een carrière als filmster, aanbeden op het scherm maar, hoe kan het anders, ongelukkig in haar leven.

Het is niet overal de beste Updike die we hier aan het werk zien; een hele eeuw te comprimeren in vijfhonderd betekenisvolle pagina's is een opgave die hem soms doet worstelen met de taal en dat levert vaak een vertelling op van een veel te babbelig niveau waar geen leven in lijkt geblazen. Het resultaat van de uitgebreide research die de auteur heeft gedaan ligt in de eerste drie hoofdstukken als een dun vernis over de vertelling heen zonder dat ooit de authenticiteit bereikt wordt die Updikes beste werk kenmerkt.

Ongeduldig geworden ziet de lezer niet zelden de krantenleggers, de oude catalogi, de Hollywood-biografieën en andere geraadpleegde tijdsdocumenten door het proza heen. Dat het aanslepen van feitjes wat anders is dan inleving wordt soms pijnlijk duidelijk en het is hier dat Updike zich de mindere toont van iemand als Doctorow.

Pas in het laatste hoofdstuk, als de auteur in het heden is aangeland, curieus genoeg in een tijd die hem het meest ontluisterend voorkomt, wordt de taal weer trefzeker en lijken de metaforen moeiteloos te komen. Essies enige kind Clark, verwaarloosd en dolend, een bewustzijn door drugs en filmische beelden getekend, raakt bij toeval in de Temple of True and Actual Faith verzeild en toont zich in eerste instantie een van de trouwste volgelingen. Maar, weet de lezer dan al, het apocalytische einde is onafwendbaar.

Het is in de interactie tussen de generaties, en dan speciaal in de brieven van en de herinnerde dialogen met zijn grootvader, deze even kwetsbare man in wiens 'angst voor het leven' Clark zich moet herkennen, dat Updike de magische, juiste toon vindt. Deze milde man onthoudt zich, evenals de auteur zelf, zorgvuldig van expliciet moraliseren, zelfs in de nasleep van de tragedie die zijn kleinzoon het leven kost.

In the beauty of the lilies ontleent zijn titel aan 'The Battle Hymn of the Republic' ('with a glory in his bosom that transfigures you and me; as he died to make men holy, let us die to make men free, while God is marching on'). Met de simpele godsdienst verworden tot schrille hysterie en de overzichtelijke werkelijkheid van de kleine stad vervangen door die van de elektronische media, is het najagen van illusies een onveranderde drift gebleven; en de realisering daarvan, zo lijkt de auteur te impliceren, onmogelijker dan ooit.