Uitbreiding van Kolbe-Museum gevierd met restrospectief over Maillol; Op zoek naar dat ene, perfecte profiel

Tentoonstelling: Aristide Maillol. T/m 5 mei. Georg Kolbe-Museum, Sensburgerallee 25, Berlijn. Di t/m zo 10-17u. Cat DM 48,- De tentoonstelling reist door naar Lausanne, Bremen en Mannheim.

In een lieflijke villawijk aan de westrand van Berlijn ligt het voormalig atelier van de Duitse beeldhouwer Georg Kolbe (1877-1947). Een mooi, sober bakstenen gebouw in Bauhaus-stijl is het, met een grote tuin eromheen vol sparrebomen en beelden. De ringweg rond Berlijn ligt op een steenworp afstand, maar hier kwettert het naar vogels en knispert het dorre blad onder je schoenen. Kolbe's atelier is na zijn dood ingericht als museum en onlangs is dit verbouwd. Er is een kubusvormige vleugel aan het gebouw toegevoegd, waardoor de tentoonstellingsruimte is uitgebreid van 250 naar 600 vierkante meter. Het licht heeft, ook in het nieuwe gedeelte, vrij spel gehouden.

Om de uitbreiding te vieren heeft het museum een retrospectief met beelden, tapijtontwerpen, tekeningen, schilderijen en grafiek van de Franse kunstenaar Aristide Maillol (1861-1944) ingericht. Er zijn bruiklenen uit particuliere en openbare collecties uit Nederland (het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Kröller-Müller op de Veluwe), Zwitserland, Duitsland en Frankrijk, waar vorig jaar in Parijs door Maillols laatste model het Musée Maillol is geopend. Dat voor Maillol is gekozen, is geen toeval. Het museum specialiseert zich op modern-klassieke beeldhouwkunst uit het begin van deze eeuw en Maillol geldt als belangrijkste exponent hiervan. De expositie is bovendien een eerbetoon aan Kolbe zelf, die zijn Franse collega ruimhartig roemde als “eerste levende beeldhouwer” van zijn tijd.

Wie Maillol zegt, zegt ook Rodin. De twee kenden elkaar en elkaars werk goed. En zeker toen Maillol zijn eerste schreden op het pad van de beeldhouwkunst zette, was het Rodin waar hij naar opkeek, Rodin die hem aanmoedigde door te gaan en Rodin die hem aan zijn eerste grote opdracht hielp.

Later veranderde de eerbiedige houding van Maillol. Hij maakte zich los van de meester en ging zelfs kritiek uiten. Rodin beeldhouwde alsof hij tekende, vond Maillol. “Hij draait om een beeld heen en modelleert profielen. (-) Duizend profielen, duizend facetten”, schreef Maillol aan zijn grote Duitse mecenas graaf Harry Kessler. Maillols daarentegen streefde zijn leven lang naar die ene uitgekristalliseerde vorm, die alle schoonheid van de natuur in zich vervat.

Het verschil in deze opvatting laat zich lijfelijk voelen bij het bekijken van het werk van de twee kunstenaars. Rond Rodins beelden - Het Bronzen Tijdperk of De Kus bijvoorbeeld - blijf je cirkelen om de talloze uitstulpingen en contouren van alle kanten tot je te laten doordringen. Rodin confronteert je met tien beelden, tien emoties in één beeld. De ongeveer zestig beelden Van Maillol die nu in Berlijn zijn samengebracht nodigen niet uit tot omtrekkende bewegingen. Hun aanzicht is het vooraanzicht. Hun silhouet verschaft intellectuele rust, geen commotie zoals Rodin.

In Berlijn staren tientallen vrouwenfiguren je frontaal aan. Anders dan Rodin, die talloze motieven in gips, brons en marmer verbeeldde, beperkte Maillol zich tot één motief, dat van de vrouw, zijn vrouw. Dus lijken ze allemaal op elkaar, de Pomona, de Lente, de Jeugd, de Staande Baadster. Dikke benen hebben ze, stevige kuiten, brede dijen, een opbollende buik en borsten als ballonnen. Ondanks deze voluptueuze vormen houden Maillols beelden iets perspectiefloos. Bij de Staande Baadster bijvoorbeeld, een van zijn beroemdste vroege beelden dat hij uitvoerde in brons en - het mooist - in hout, is het silhouet sereen, bijna middeleeuws. De figuur is nog niet zo plomp als de latere dames die Maillol zal beeldhouwen. Nee, ze glanst van jeugdige vruchtbaarheid, maar achter haar gladde façade, haar 'profiel', zo lijkt Maillol de toeschouwer te zeggen, valt niets te zien. Wie de voorkant kent, weet dat hij in de rug, de lendenen en het achterbeen dezelfde naadloos in elkaar overlopende lijnen kan verwachten. Maillol hield niet van feesten met opzwepende spierpartijen en knokige botten.

Daarom zien we op een in de museumkelder vertoonde film een perfectionist aan het werk, een plastisch chirurg die met een fijn plamuurmesje steeds maar weer klontjes gips milimeter voor milimeter uitstrijkt over het oppervlak van zijn laatste, onvoltooid gebleven beeld Harmonie. Het is een curieuze, verstilde film, door Jean Lods opgenomen in 1942-1943, maar pas later gemonteerd. Het lijkt alsof Maillol in een ruimtecapsule leeft, lichtjaren verwijderd van het dagelijkse oorlogsgeweld. Lods schildert het leven van een kluizenaar die zich in zijn geboorteplaats Banyuls-sur-Mere, aan de voet van de Pyreneeën heeft teruggetrokken. Tussen de cypressen, wijngaarden en tsjirpende cigales leeft de oude Maillol z'n arbeidzaam leven: 's ochtends, als het nog niet te heet is, trekt hij met schetsboek de natuur in, vroeg in de middag leest en rust hij wat op de veranda van zijn huis, en als het afkoelt zet hij zich aan het beeldhouwen in zijn atelier. En ondertussen zingen de wijnpluksters en wuiven de boeren.

Als Lods Maillol bezoekt is dat zo'n anderhalf jaar voor zijn dood. Van de hedendaagse kunst heeft de beeldhouwer zich dan afgekeerd. Brancusi vindt hij niks, Picasso bespot hij en van Matisse heeft hij zich - na aanvankelijke bewondering - gedistantieerd. In de uitstekende, uitvoerige catalogus die de tentoonstelling begeleidt, wordt het met enige verbazing geconstateerd: Maillols plastieke werk kent geen ontwikkeling. Maillol blijft trouw aan die ene vrouwenvorm die hij zo rond de eeuwwisseling heeft uitgedacht. Hij veredelt haar, polijst haar en verwerkt delen van haar in nieuwe beelden, fraai en koel. Maar de mystieke ingetogenheid van zijn houten baadster, de spontaniteit van zijn vroege terracotta's zal hij niet meer evenaren.