'Typografie is niet voor snelle jongens'

Chris Brand is al 40 jaar typograaf. Een van zijn nieuwste ontwerpen, de Elsschot, vormt nu het middelpunt van een expositie.

Chris Brand letterontwerper en typograaf. T/m 5 april. Academie voor Beeldende Kunsten St. Joost, Beukenlaan 1, Breda. Ma t/m vr 10-17u, za-zo 13-17u. Cat ƒ 15,-.

BREDA, 29 MAART.“Op een kwart millimeter moet je de honderd meter horden kunnen lopen. In die ruimte ligt de bewegingsvrijheid van een letterontwerper besloten. Dat is de schaal waarop hij opereert.” Het zijn uitgerekend de restricties van het vak die Chris Brand (1921) na veertig jaar letterontwerpen nog steeds inspireren: “Het is de fascinatie voor de spanning tussen welbeschouwd enkel zwart en wit.”

Zesendertig jaar onderwees Brand zijn vak aan de academies voor beeldende kunsten in Breda en Den Bosch. Zelf begon hij naar eigen zeggen al op zesjarige leeftijd met het bestuderen en natekenen van letters in de kantlijn van de krant. Want, kan hij niet nalaten te doceren: Leren kijken is het grootste goed voor een lettertekenaar. Zijn ene oog is er in de loop van de jaren wat minder op geworden, vertelt hij. Maar dat weerhield Brand er niet van aan de talloze lettertypes van zijn hand een nieuw ontwerp toe te voegen, de Elsschot genaamd. De bijna voltooide letter, die in tegenstelling tot wat tegenwoordig gebruikelijk is, niet met de computer maar met potlood is ontworpen, vormt het middelpunt van een tentoonstelling in de Kunstacademie St. Joost in Breda.

Behalve de twaalf alfabetten van de Elsschot, zes schreefloze varianten en zes met schreef, is in het overkoepelde atrium van St. Joost het complete oeuvre van Brand samengebracht: kalligrafisch werk, gevelbelettering en monogrammen. Vignetten, zoals zijn stijlvolle ontwerp voor de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, en logo's, zoals de kop die sinds dertig jaar boven de Volkskrant prijkt.

Voor het ontwerp van het Volkskrant-logo nam Brand de oude kop als uitgangspunt. “Eerst heb ik een stapel kranten gekocht. Nationale en internationale. Want je moet weten welke sfeer en status een krant heeft en waarin die met andere kranten verschilt. The Times, bijvoorbeeld, heeft standing. Dat merk je in Londen: elke dag staat daar bij de bushalte een keurige rij mensen de krant te lezen. Maar nooit The Times, want die heeft allure, en die lees je dus thuis.”

Vervolgens ontwierp Brand een aantal logo's. “Die plakte ik dan op kranten, over het oude logo heen. Bij een bevriende sigarenboer legde ik de ontwerpen tussen andere kranten om te zien welke het best werkte. Niet dat toen de kous af was. Bij de Volkskrant had iedereen inspraak in het ontwerp, tot de koffiejuffrouw aan toe.”

Behalve een cursus schoonschrijven, heeft Brand nooit een opleiding typografie gevolgd. Maar autodidact wil hij zichzelf niet noemen. “Ik heb het mezelf geleerd, door boeken te lezen over het vak, door letters na te tekenen. En in Nederland was je natuurlijk gezegend met grote voorbeelden als Jan van Krimpen en De Roos en later, uiteraad, met Helmut Salden. In 1958 besloot ik het er op te wagen, te gaan experimenteren om uit te vinden of ik wel geschikt was voor dit vak.”

Dat experiment mondde in 1965 uit in de Albertina, de letter die Monotype als eerste koos voor haar fotografische zetsysteem. Zes jaar werkte Brand dagelijks aan de Albertina, die in totaal 368 kapitalen, onderkast, leestekens en cijfers telt.

“Je moet er mentaal tegen bestand zijn”, erkent Brand, “om zolang tegen een en hetzelfde alfabet aan te staren. Typografie is niet voor snelle jongens. Het is een solitaire bezigheid, nooit is er eens iemand die met je meekijkt en je op de vingers tikt. Je bent altijd op je eigen kritiek aangewezen.”

Schetsproeven op de expositie tonen het onvermoeibare geschaaf - steeds een beetje minder zwart, zelden ietsje meer - dat voorafgaat aan het uiteindelijke resultaat: letters zonder opsmuk. De beste boekletter blijft volgens Brand onopgemerkt. Nooit mag de schoonheid van een letter het lezen verstoren. De ideale typografie, meent Brand, is onzichtbaar.