Stuivers jatten van moeder; Een moderne bewerking van Emants' 'Een nagelaten bekentenis'

Frank Verkuijl: Niets verandert. Een coverroman. Uitg. De Arbeiderspers, 132 blz. Prijs f 27,50.

Marcellus Emants: Voor mij blijft het leven een krankzinnigheid. Een portret in brieven, geselecteerd en ingeleid door Nop Maas. Uitg. Veen, 256 blz. Prijs ƒ 39,90.

Een remake van een boek, een meesterwerk nog wel, een boek dat niet verouderd raakt, er rust bij voorbaat niet veel zegen op. Nog even daargelaten dat je met de goden concurreert, je legt het onherroepelijk tegen het meesterlijke voorbeeld af, het is van tweeën één. Of je blijft dat voorbeeld trouw en maakt iets wat er eigenlijk al was, of je doet dat niet en maakt dus eigenlijk geen remake. Wat heb je te winnen?

'Niets verandert is geen poging Marcellus Emants te verbeteren of in de schaduw te stellen', zegt het achterplat van wat gebracht wordt als een 'coverroman' van Emants' Een nagelaten bekentenis. 'Het is eerder een ode aan de schrijver wiens roman Frank Verkuijl zo hooglijk bewondert.'

Emants naar zich toe halen, naar een nieuwe tijd vertalen, zoiets lijkt Verkuijl zich voor te stellen. Van de vorige jaren negentig, het tijdperk van Een nagelaten bekentenis, parachuteert hij het verhaal naar de glanzende wereld van filofax en rolodex. Men drinkt een baco of een wodka-ijs, kijkt op zijn Rolex, slaat een yup tegen een tafelrand en dwingt een meisje op de grond, geïnspireerd door pornomagazines. 'Ik deed haar dijen uit elkaar', vermeldt het eerste hoofdstuk al kordaat, 'schoof er een schroevedraaier tussen en kwam klaar.'

Die ik is als vanouds Willem, hier Wim, Termeer, de man die zijn vrouw een iets te flinke lepel slaapdrank, hier een overdosis insuline, toegediend heeft en zich nu de vraag stelt hoe het ooit zover heeft kunnen komen. Hij was altijd al een achterbakse jongen, schuw en laf, het soort dat achter schuttingen naar meisjes gluurt en stuivers uit zijn moeders tasje jat. Een naarling was hij, liefdeloos, pervers, en wat hij ook gehoopt had, door zijn huwelijk werd het niet beter. Na het overlijden van hun eerste kind vervreemdde hij volledig van zijn vrouw en toen, ineens, wist hij wat hem te doen stond.

Onvermijdelijk stelt hij zichzelf de schuldvraag. Kon hij anders? Algemener, heeft de mens een vrije wil? Daar komt Verkuijl op een beslissend punt, hij moet een nieuwe inhoud zien te geven aan een leerstuk van zijn negentiende-eeuwse meester - de gedachte dat de mens een speelbal van zijn opvoeding en erfelijkheid is en dus ternauwernood aansprakelijk te stellen valt voor zijn gedrag. Hij doet dat, tamelijk verrassend moet ik zeggen, door een eigenlijk heel ander leerstuk in te zetten van de hedendaagse generatie Nix: de gedachte dat de mens vandaag de dag een speelbal van moderne media en lage driften is omdat hij geen moraal of doel meer heeft. 'Zeg nou zelf', denkt zijn Termeer, 'het is toch niet zo vreselijk dat ik iemand heb gedood? Zulke dingen gebeuren toch elke dag? Overal. Doe de tv aan en kijk ernaar, sla de krant open en lees erover. (-) Niemand kan mij dus iets kwalijk nemen.'

Het zou aardig zijn te weten wat de oude Emants van die draai zou vinden, even los van die tv, en het mooie is dat je hem dat sinds kort ook min of meer kunt vragen. Voor mij blijft het leven een krankzinnigheid, een nieuwe keuze uit zijn brieven, biedt een scherpe blik achter de coulissen van zijn leven en werk. Terwijl hij door de jaren heen de wereld over reist, van Frankrijk en Italië tot India en zelfs Japan, een welgestelde heer die voor zijn brood niet hoeft te werken, schrijft hij tussen zijn impressies door het ene (woedende) epistel na het andere over de onderliggende en onbegrepen strekking van zijn werk. Hij geeft er ook zelf een nieuwe draai aan.

Kern is dat het leven naar zijn mening simpelweg 'niet waard' is geleefd te worden. 'Het leven zou dit waard zijn als het òf een doel had òf een batig saldo aan geluk opleverde. Een doel is er nièt of als het er is, dan kennen wij het niet en naar een onbekend doel kan niemand streven. (-) Bovendien: is het leven een goed, dan moest er geen eind aan zijn; is het een kwaad, dan moest er geen begin aan zijn. Verkeerd is het dus altijd.' En hard als dat ook klinken mag, men hoeft zichzelf maar één vraag te stellen om hem grif gelijk te geven. 'Heeft u ooit iemand ontmoet die nog eens zijn leven zou willen doorleven?'

Toch betrapt hij zichzelf er telkens op dat hij het leven niet kan loslaten. Hij is een tegenstander van het huwelijk, maar trouwt tot driemaal toe. Hij is een tegenstander van het ouderschap, het doorgeven van leven aan een generatie die het ook weer slecht zal hebben, maar vader wordt hij toch. Een 'blinde levensdrift' houdt hem op gang, hij legt het tegen zijn eigen wijsheid af en komt tot het besef, met spijt, 'dat ieder mens zich zelf voortdurend misleidt en misleiden moet.'

Zijn opdracht in het leven wordt het overwinnen van die drift, dat onbeteugelbaar en hatelijk instinct. 'Onze hele evolutie is ten slotte niets dan een evolutie van onze geestelike (intellectuele) kracht en nu zie ik voor mij daarin maar één doel nl.: tot het inzicht komen, dat het leven niet bevredigen kan.' Hij moet een einde maken aan de zelfmisleiding door zijn geest te wapenen met 'een opeenhooping van treurige ervaringen', of meer nog, door zijn levensdrift met die ervaringen te bombarderen, net zo lang tot ze bezwijken zal. Het doel van het bestaan, om kort te gaan, ligt in de strijd ertegen.

Dat woedende gevecht, die burgeroorlog in het hoofd, met zelfmoordeskaders en al, verklaart een laaiende onrust in Een nagelaten bekentenis die daar maar half wordt uitgelegd. Termeer is een figuur die niets van het bestaan verwacht en nergens in gelooft, niet in zichzelf, niet in een toekomst, en net als zijn hedendaagse dubbelganger Wim vindt hij dat niemand hem iets kwalijk heeft te nemen. Hij is immers speelbal der omstandigheden? Hij beseft alleen dat hij in stilte toch gehoopt heeft dat hij die omstandigheden kon veranderen, dat alles na demoord op zijn echtgenote 'beter' worden zou. Hij voelt dat hij opnieuw misleid is door zijn levensdrift en hij besluit zichzelf voor eens en altijd onder ogen te zien.

Hij neemt zichzelf iets kwalijk.

Dat is plotseling een heel ander verhaal dan bij Verkuijl. Bij hem is er geen spoor van innerlijke strijd en tweespalt, zijn Termeer heeft in de dood al even weinig lust als in het leven, alles laat hem even gloeiend koud. Voor een daadwerkelijke bekentenis ontbreekt hem dan ook een motief, hij praat maar wat, volkomen wezenloos, zoals zovele helden uit de school van Nix. Daarmee ontdoet Verkuijl Een nagelaten bekentenis precies van datgene wat de roman zo'n vacuümzuigende spanning geeft: een tweestrijd op leven en dood met als doel, absurd en toch zo onontkoombaar logisch, niet het leven maar de dood. Maar misschien ligt daar wel de verdienste van zijn cover: je ziet de grootheid van het origineel ernaast als nooit tevoren.