Postkoloniale literatuur

Neue Rundschau 107/1. S.Fischer Verlag, 184 blz.DM16. Armada 2, Uitg. Wereldbibliotheek, 124 blz.ƒ17,50

Ieme van der Poel registreert een boom van postkoloniale literatuur. Met klinkende en rinkelende namen als Salman Rushdie, Keri Hulme, Tahar Ben Jelloun en Amy Tan komt ze op de proppen. Voor het gemak, of om aan overtuigingskracht te winnen, rekent ze alle immigrantenliteratuur mee. Zo gezien zou bijvoorbeeld ook een Turkse of zelfs Marokkaanse schrijver die in Nederland woont tot de postkoloniale literatuur gerekend worden. Vreemd, maar niet helemaal onverdedigbaar.

In haar inleiding op een themanummer van het gloednieuwe tijdschrift Armada over postkoloniale literatuur concentreert ze zich als Romaniste vooral op Noordafrikaanse auteurs die in Frankrijk leven. Liever dan te spreken van culturele verschillen tussen het westen en de Derde Wereld ziet Van der Poel een global world ontstaan, waarin immigranten een brug vormen, een kritische, tussen de verschillende beschavingen.

Salman Rushdie is natuurlijk de representant bij uitstek van deze tussengroep, thuis of juist ontheemd in twee culturen. Hij ontbreekt in dit themanummer, Armada verkoos de omstreden Palestijnse Amerikaan Edward Said als personificatie van de verscheurdheid. Willem Otterspeer schrijft vanuit vogelperspectief een artikel over diens essayistisch werk en stipt daarbij enkele tegenstrijdigheden aan, om samen met Said te concluderen dat elke balling veroordeeld is tot een soort kritische knorrigheid. De bijdragen in Armada zijn kort, soms ultrakort en te summier. Vertaalster Marijke Emeis kreeg tweeënhalve bladzijde voor de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Woyle Solinka, H.M.J. Maier gebruikt er acht om het verstilde Indonesische leven te schilderen, Michiel van Kempen tien voor het richtingloze Surinaamse. Hij ziet Anil Ramdas als de V.S. Naipaul van Suriname.

Belangrijke kwesties en figuren komen onvoldoende uit de verf, zodat na lezing een onvoldaan, knorrig gevoel overblijft. De Peruaanse Amerikaan Francisco Lasarte poneert dat heel Spaans-Amerika in een 'blijvende koloniale staat' verkeert, al is er sinds ongeveer 1820 geen sprake meer van koloniën. Daarmee wordt het begrip 'postkoloniale literatuur' wel heel wijd uitgerekt, zonder dat dit wordt toegelicht of verdedigd.

Isabel Hoving is zeer vertrouwd met de literatuur van Afrikaanse en Caraïbische migranten, die zij onderzocht voor haar proefschrift, The Castration of Livingstone. In 'Risico's van smetvrees' gaat ze na in hoeverre Nederlanders hun taal beschermen tegen migranteninvloeden. Ze signaleert zelfs een agressie in de Nederlandse omgang met postkoloniale (lees: Surinaamse en Antilliaanse) teksten; angst, agressie en geweld bij de Nederlandse critici, en even afkeurenswaardige minzame neutraliteit bij de Nederlandse (lees: Leidse) wetenschappelijke onderzoekers.

Met deze wellicht wat bovenmaatse knuppel in het hoenderhok is haar bijdrage wel de meest aansprekende van allemaal geworden. Naast de gedichten van Grace Nichols, een zwarte Caraïbische schrijfster: 'To tell you the truth / I don't know really where I belaang / Yes, divided to de ocean / Divided to de bone / Wherever I hang me knickers - that's my home'.

Frans (Dante) van Dooren en Anton Haakman nemen alvast een voorschot op het volgende nummer van Armada, dat zal gaan over onvertaalbaarheid. Haakman: 'Elk boek is onvertaalbaar. Dus elk boek is vertaalbaar.'

Het tijdschrift Neue Rundschau van Fischer Verlag komt nu pas met een vertaling van het stuk 'The Empire Writes Back' waarmee Pico Layer jaren geleden in Engeland de discussie over postkoloniale literatuur aanzwengelde. Het stuk leidt nu een themagedeelte in over postkolonialisme als de nieuwe wereldliteratuur. Sinds het westen zich niet meer superieur mag voelen ten opzichte van andere culturen is er, uit een nieuwe bescheidenheid en tolerantie, een neiging ontstaan om de cultuur-eigenheden en dus -verschillen te benadrukken, een neiging die ontspoord is in een cultus waarin overeenkomsten en gemeenschappelijkheden worden genegeerd. De redactie van Neue Rundschau ziet hier een niet te onderschatten gevaar in: 'Das Fremde bleibt fremd und die Annäherung riskant'. Met zeven artikelen tracht het blad op zoek te gaan naar nieuwe gemeenschappelijkheden en culturele 'Amalgamen', die vanzelfsprekend vooral in het werk van migranten te vinden zijn.

Waar Armada in vogelvlucht langs verschillende postkoloniale literaturen scheert hanteert Neue Rundschau veeleer het perspectief van een mol. Diep ingegraven in de materie, en ook wel een beetje blind voor de oppervlakkiger verlangens van andere aardbewoners, poneren de artikelschrijvers hun stellingen in tamelijk ontoegankelijk academisch Duits. Het aantal voetnoten en literatuurverwijzingen is duizelingwekkend, maar hartstochtelijke bewondering of andere emoties ontbreken helaas.

Geen van de twee tijdschriften vond de juiste toon, geen van beide liet ook een 'postkoloniaal' aan het woord, afgezien van het oude interview met Derek Walcott in Neue Rundschau. In het artikel 'Der postkoloniale Blick' vinden we een overzicht (met 75 voetnoten) van reisverslagen die uitsluitend Duitse auteurs over landen in de Derde Wereld schreven. Volgens professor Walter Hinderer, germanist in de USA, is het met de globalisering, democratisering en dekolonisatie intussen danig uit de hand gelopen. Al die 'fetisjering van multiculturalisme' heeft aan de universiteiten tot fragmentatie en etnische territoria geleid; globaal denken is uiteindelijk net zo beperkt als provinciaal denken. Toppunt van deze ontwikkeling vindt Hinderer de opkomende literaire eco-kritiek, die de literatuur met 'groene ogen' leest. Tevreden stelt hij vast dat al die multiculturele zijpaadjes en omwegen nu een stevige 'Amerikanisering' veroorzaakt hebben.