Malaise overschaduwt 'onderhoudsbeurt' EU

TURIJN, 29 MAART. Europa is moe. Die diagnose stellen diplomaten in Brussel, terwijl de Europese Unie staat aan de vooravond van haar grootste avontuur ooit.

De Unie heeft zich voor de komende jaren vastgelegd op een ambitieus programma, dat vandaag begint in Turijn met de opening van de Intergouvernementele Conferentie (IGC), de herziening van het verdrag van Maastricht. Voor Europa “het meest beslissende, historische moment van deze en de volgende eeuw”, aldus de Duitse bondskanselier Helmut Kohl.

Intussen moeten de vijftien lidstaten hun financiële huishouding op orde brengen voor de Economische en Monetaire Unie, een ingrijpende operatie waarvoor de deelnemers zich begin 1998 moeten kwalificeren.

En dan dringt er aan de Oostgrens een tiental landen, die de belofte hebben gekregen dat ze zo snel mogelijk na de IGC mogen toetreden tot de Unie. Terwijl de EU nog nooit zoveel dossiers tegelijkertijd te verwerken heeft gehad, wordt in Brussel een ongekend gebrek aan Europees élan gesignaleerd. In deze tijd van groeiende economische malaise, denken de lidstaten steeds meer aan zichzelf in plaats van aan Europa. Zelfs EU-motor Duitsland, zakt in een economisch moeras en wordt introverter.

De IGC, die vandaag in een tot congrescentrum omgebouwde Fiat-fabriek van start gaat, is bedoeld om de roestplekken uit het huidige verdrag te halen en om de Unie klaar te stomen voor uitbreiding.

Dat de herziening dit jaar begint, is bepaald in het Verdrag van Maastricht. Eigenlijk vindt iedereen het te vroeg om nu al een evaluatie te maken van het verdrag dat pas in oktober 1993 van kracht werd, maar afspraak is afspraak. In Groot-Brittannië wordt Maastricht II vaak voorgesteld als een kleine onderhoudsbeurt voor de auto.

Dit keer verwoordt de meest eurosceptische van de lidstaten een algemeen gevoel. Diplomaten voorspellen dat de conferentie een “vrij karig resultaat” zal hebben. Zelfs Eurocommissarissen verhullen hun pessimisme niet. “Vroeger wilden de meeste regeringen de integratie vooruit helpen, nu proberen ze die vooral te blokkeren”, somberde onlangs de Belgische Commissaris Karel van Miert. Hij sluit een crisis in de unie niet uit.

De euforie na de val van de muur, die in Maastricht nog nagalmde, is de laatste jaren weggeëbd met de economische teruggang.

Ook het verrassende Deense 'nee' tegen het Verdrag in 1992 betekende een gevoelige domper. Voor euro-idealisme is geen plaats meer - het woord 'federaal' nemen zelfs Europarlementariërs niet meer in de mond. 'Federalisme' is uit het eurovocabulaire geschrapt, en vervangen door moderne managementtermen als 'transparantie', 'efficiëntie' en 'flexibiliteit'.

Dat de Unie meer transparantie en efficiëntie behoeft, is een algemene wens. Flexibiliteit wordt bepleit door de Commissie, Frankrijk en Duitsland.

Ze beogen er mee dat landen die dat willen, een stap verder gaan met de Europese samenwerking, zonder dat ze worden tegengehouden door lidstaten die minder hard willen gaan. Ook de Benelux pleit, met de term 'differentiatie', voor zo'n Europa van verschillende snelheden.

De vraag of Europa flexibel moet worden, zodat er een kern van 'stoottroeplanden' ontstaat, wordt waarschijnlijk een van de belangrijkste onderwerpen van de IGC. Groot-Brittannië voelt meer voor een 'Europa à la carte', waarin ieder land per onderwerp kiest of het al dan niet Europees wil gaan.

Uit de verschillende Europese hoofdsteden regende het de laatste weken rapporten en uitspraken, waarin de vijftien lidstaten hun eerste posities innamen voor Maastricht II.

Uit die uitlatingen blijkt dat de standpunten ver uiteen liggen. Aan de ene kant staan Duitsland, de Benelux, Italië en de Europese Commissie, die de Europese samenwerking willen verdiepen. Aan het andere uiterste staat Groot-Brittannië, dat een Europa van soevereine nationale staten voorstaat. Het Britse isolement werd deze week nog geaccentueerd, door het verbod van de Europese Commissie op de export van Brits rundvlees om verspreiding van de gekke-koeienziekte tegen te gaan.

De overige lidstaten bevinden zich tussen de twee uitersten, waarbij Frankrijk onder de onberekenbare Chirac nu eens de zijde van Bonn kiest, dan weer die van Londen.

Terwijl over de gewenste uitkomst van de IGC de meningen uiteen lopen, bestaat wel overeenstemming over de agenda.

Drie hoofdthema's worden onderscheiden: de burger, institutionele kwesties en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het verleiden van de burger tot de unie staat bovenaan de Brusselse agenda. De kloof tussen de EU en haar burgers is er de laatste tijd niet smaller op geworden, nu regeringsleiders de Europese muntunie aanhalen als alibi voor impopulaire saneringen. Alle lidstaten zijn het er over eens dat de Unie transparanter moet worden, beter begrijpelijk en toegankelijker.

Maar de euroburger heeft andere zaken aan zijn hoofd dan de IGC. Uit een deze week verschenen enquête bleek dat niet meer dan 15 procent van de conferentie op de hoogte is.

Behalve wat er op de officiële IGC-agenda staat, zal ook datgene wat er nìet in voorkomt op de achtergrond een belangrijke rol spelen.

Niet op het programma staat bijvoorbeeld de Economische en Monetaire unie die op 1 januari 1999 van kracht moet worden, mits voldoende landen zich kwalificeren. Evenmin ter discussie staat de uitbreiding, de herziening van de landbouwpolitiek en de financiële toekomst van de EU na 1999. Deze onderwerpen staan formeel voor na de IGC op de rol, maar kunnen toch de conferentie gaan domineren.

Meer nog dan de intergouvernementele conferentie, zal de EMU de toekomst van de unie bepalen. Daarom kijken alle lidstaten met argusogen naar wie zich kwalificeert en wie niet. Het zal wellicht onmogelijk blijken de euro buiten de discussies te houden.

Evenmin op het IGC-programma staan de gekke-koeienziekte en de hooglopende drugsruzie tussen Frankrijk en Nederland. Toch overschaduwen deze twee onderwerpen de Europese topontmoeting van vandaag. Zo zeer zelfs, dat sceptici voorspellen dat de gesprekken in Turijn over van alles, behalve de IGC zullen gaan.