Kennismanagement in de lerende organisatie

Vier competenties van de Lerende Organisatie. Door C. Sprenger,e.a. Uitg. Berenschot Fundatie.

Boeken over managementtechnieken verschijnen in voortdurende stromen, met telkens weer interessante ideeën. Dat zal wel komen doordat het onderwerp, de mens en de manier waarop hij werkt, zo onvoorstelbaar complex is. Dat maakt dat de grote verscheidenheid van uitbeeldingen, modellen en technieken allemaal naast elkaar van toepassing zijn. Velen kunnen daardoor al lang door de bomen het bos niet meer zien en hebben het lezen reeds lang gestaakt. De Lerende Organisatie biedt als concept menigeen echter weer houvast en voor hen kan dit boek een welkome aanvulling zijn. Senge c.s. gaan bijvoorbeeld in het 'Vijfde discipline Praktijkboek' ook wel op kennis in, maar niet met de gedegenheid van Sprenger e.a. Die wijzen kennis duidelijker als één van de cruciale factoren aan, die maken dat de Lerende Organisatie een zinvol concept is. De verschillende aspecten van kennis, de manier om deze uit te breiden en steeds beter te gebruiken, vormen de kern van dit Berenschotboek. Ik vind het geweldig dat zij zulke goede kennis over kennis aan concurrenten beschikbaar stellen en waak er dus voor het kopen van het boek door veel informatie overbodig te maken. Zeer bruikbaar is een vragenlijst waarmee de manager kan vaststellen hoe de kennisstroom zich in zijn organisatie afspeelt, verdeeld in absorptie, diffusie, generatie en exploitatie. Met die inventarisatie leidt hij af hoe de competenties om kennis te vergroten en beter te gebruiken, kunnen worden versterkt.

Het boek is met name bedoeld voor professionele organisaties, waarin kennis cruciaal is. Dat het voor die organisaties van belang is dat de professionals elkaar regelmatig helpen om de kennis te vergroten en wederzijds kritisch te zijn, wordt dan ook steeds beter herkend als een factor in de concurrentiestrijd met andere professionele organisaties. Vaak hebben de professionals echter door de drang naar billable uren de neiging zeer veel tijd bij de klant door te brengen. (En zoals bekend, kan monomaan mentaal contact op den duur tot inteelt van geest leiden.) Het is aan de manager de juiste balans te vinden tussen gezamenlijk kennis ontwikkelen en geld in te zamelen en daarom zal hij de voortgang van de interne dialoog over deze balans zeer goed moeten bewaken. Stilstand in gezamenlijke kennis ontwikkelen, is voor de professionele organisatie de doodsteek. Heel erg veel méér heeft zo'n manager misschien zelfs niet te doen, als hij verder maar als echte professional zijn eigen lerend vermogen voldoende bijhoudt om het noodzakelijk respect van zijn medewerkers te kunnen behouden.

Mijn visie is deze: heeft de professionele organisatie eenmaal dit aspect goed onder de knie, dan wacht haar in principe een gouden toekomst. Immers, door de dodelijke concurrentie, de uiting van de Globalisation, voelen steeds meer bedrijven zich gedwongen ook hoog opgeleide mensen op straat te zetten. Vroeg of laat ontdekken die bedrijven echter dat ze zonder kennis eigenlijk niet zo goed bij kunnen blijven, dus zoeken ze die weer op bij de professionele organisaties. Voordeel voor beide partijen: de kans op mentale inteelt wordt kleiner, de flexibiliteit voor beide partijen groter. Financiële dogma's als vaste salarissen verdwijnen. De blinde loyaliteit om mee te strijden in het concurrentiegevecht neemt af door de individuatie die veel van de professionals ondergaan. (Volgens Jung het proces dat maakt dat een mens, na zijn Zelf te hebben hervonden, ontdekt wat hij eigenlijk waard is en er vervolgens genoegen in krijgt zich een deel van een veel groter geheel te gaan voelen. De ervaring van een ontslag helpt daarbij erorm.) Volgens Sprenger zijn flexibiliteit en dynamiek de voornaamste factoren van de evolutie om te kunnen overleven en daarom ook van de Lerende Organisatie. Nu is het gevaarlijk iets uit de evolutieleer over te nemen, want over die leer zijn de geleerden het immers nog volledig oneens. Er zijn er die menen dat de evolutie alleen met natuurlijke selectie heeft te maken, anderen beweren dat er ook zoiets als creativiteit in zit. En Tom Peters, toch ook niet de eerste de beste, stelt sinds kort dat de Lerende Organisatie niet meer genoeg is, omdat creativiteit er te weinig aandacht in krijgt. En dat terwijl Senge waarschuwt voor de creatieve organisatie. Hij ziet er alleen de gevaren van in. (Hoewel zijn gezichtspunt inmiddels bijdraait, bleek tijdens de Senge conferentie van november jl.) Misschien hebben mensen moeite met het begrip creativiteit, doordat hun kennis niet verder strekt dan die van die Belgische professor, die stelt dat het bijna alleen een kwestie van jatten en gezond verstand is, en slechts voor twee procent van echte creativiteit. Waarmee hij de vraag wat creativiteit dus echt is, zorgvuldig voor zich uit schuift. Het is buitengewoon aardig, als je in de gaten hebt hoe creativiteit vermoedelijk werkt, om te zien hoe vaak de schrijvers van de 'Vier competenties van de Lerende Organisatie' bij de kern komen. Maar zij herkennen het niet. Voor hen is de spirituele, of de creatieve of de holistische onderneming nog net een brug te ver. Professionele organisaties die dat fenomeen creativiteit als eerste zullen beheersen gaan platina tegemoet, maar wellicht niet zozeer op hun bankrekening. En als de leiders van bedrijven vroeg of laat zelf inzien dat de leut er bij hun werkelijk af is en hun afhankelijkheid van die externe professionals veel te groot is, gaat zo'n heel bedrijf door individuatie via een transformatieproces van bedrijf naar onderneming. Blijkt de Globalisation katalysator in plaats van bedreiging te zijn.