In 'Dantons dood' blijft de bravoure zonder betekenis

Voorstelling: Dantons dood van Georg Büchner door Trust/KVS. Regie: Theu Boermans. Decor: Guus van Geffen. Spel: Bert André, Jappe Claes, Wim Danckaert, Bert Geurkink, Myranda Jongeling e.v.a. Gezien: 27/3, KVS, Brussel. Nog te zien: aldaar t/m 31/3 en 2 t/m 7/4. Daarna in Nederland t/m 1/6. Inl. 00.32.2.217.69.37.

Er wordt significant veel gecopuleerd in Theu Boermans' enscenering van Georg Büchners Dantons dood. Op simpele rechttoe-rechtaan wijze, boertig, zonder poespas, geeft men zich over aan het zinnenspel, temidden van een drinkgelag en een gezelschap dat anderszins lol trapt. Seks hoort bij het leven als eten en drinken, lijkt de boodschap van de regisseur. Maar waarom zou hij die in dit stuk verkondigen? Het ligt voor de hand, dat hij overeenkomsten ziet in de dynamiek van seks en die van de revolutie, waarover Dantons dood immers gaat. Maar op dat punt stokt zijn betoog. Hij geeft geen aanwijzingen, waaruit bij voorbeeld blijkt dat seks de belangrijkste eigenschap van een revolutie - het opvreten van haar eigen kinderen - kan worden toegedicht.

Het blijft bij vertoon van naaktheid onder de smekend opgetilde rokken van de hoer, van onverschrokken vrijmoedigheid, van het kennelijke ontbreken van inhibitie in Dantons dagen. Maar die eigenzinnigheid is zonder betekenis; het is bravoure, die me minder verrast dan een niet alleen gesuggereerde maar werkelijk aangetoonde parallel met het verschijnsel revolutie me zou verrassen. Nu moeten we het alleen doen met de woorden van de figuur Marion: “Er bestond voor mij maar een ding tegenover mij: alle mannen samengesmolten in één lichaam. Mijn natuur was nu eenmaal zo, wie kan daaraan ontsnappen?” Het is een te kleine vingerwijzing van een mogelijke nymfomane.

Niemand zal intussen ontkennen dat de natuur, van Marion en de mens in het algemeen, een grote rol speelt in Dantons dood. De titelheld heeft er zijn dood aan te danken, de natuur levert zijn tegenstander Robespierre immers de blauwdruk van zijn handelen. Terwijl Danton vindt, dat de Franse Revolutie haar louterende werk heeft gedaan en de opbouw van de Republiek kan beginnen, verkondigt Robespierre dat de beoogde deugd, die volgens hem de 'religie van de Natuur' is, niet gevestigd kan worden zonder terreur. Terreur is pas schadelijk zonder deugd en deugd machteloos zonder terreur: een yin en yang dus die eeuwig bloedvergieten rechtvaardigen.

Voor Boermans en Trust is Dantons dood natuurlijk een onontkoombare etappe in de analyse van geweld, waarin zij van oudsher geïnteresseerd zijn. Daarom is de voorstelling die zij er van maken des te teleurstellender. Het decor (van Guus van Geffen) waarvan het voordoek - een half-voltooid, naar de schilder David verwijzend portret van de revolutionairen - wat rusteloos op- en neergelaten wordt en waarin een toneelgatvullend hekwerk later de gevangenis verbeeldt, vult kostuumontwerpster Catherine Cuykens met personages in historiserende kledij. Lang haar sliert om de robuuste koppen van Danton (Peter Tuinman) en de zijnen, de vrouwen ruisen al naar gelang hun status in redelijk schone dan wel afgetrapte, tot op de vloer reikende jurken. De dames van lichtere zeden ogen flamboyanter, met morsige spinnepruiken op het hoofd. Alleen Robespierre en zijn rechterhand St. Just zijn onberispelijk: tegenover de savoir vivre van de Danton-groep plaatsen zij de strengheid van de systematiek, van de theorie, van de granieten onontkoombaarheid van hundialectiek avant la lettre.

Dat zijn heldere signalen die de toeschouwer houvast verschaffen. Vervolgens moet een regisseur het eindeloze geredekavel en de ratelende theorieën van Büchners personages te lijf gaan. Dantons dood gaat gebukt onder het gewicht van een geschiedenis die verteld moet worden, van een persoonlijk verhaal dat daarin verweven is, van beeldrijke poëzie, van eindeloos veel uiteenlopende inzichten. Probeer dat geheel maar eens licht te maken en verrassend: vorig seizoen ensceneerde Antoine Uitdehaag het stuk als een ontsporend rock-concert. Daartegen kan men bezwaren hebben, de ondanks de sekspassages aan de leiband van het stuk lopende enscenering van Boermans vind ik bezwaarlijker.

Zijn voorstelling komt niet van de grond, ondanks naturalistisch gepis op het toneel, ondanks de gefrustreerd ogende masturbatie van Robespierre (achter die stijve pruik van hem), ondanks het spectaculaire special effect van de onthoofding van Danton. Dat laatste komt na een lange, zware avond van botsende stemmen en referaten die het oor nauwelijks nog bereiken. Aan het slot maakt de schilder van het onaffe voordoek zijn gezicht bloedrood. Het is geen bijster originele vondst, maar eindelijk was er zoiets als theatrale verbeelding, een vertaling van het woord. Het gebaar kwam te laat om iets anders te verbeelden dan machteloosheid.