Geloven is niet nodig; Tenor Nico van der Meel over zijn vertolking van de Evangelist in de Matthäus Passion

Of hij zelf gelovig is, vindt hij niet van belang. Tenor Nico van der Meel, die onlangs voor de honderdste maal de rol van de Evangelist vertolkte in Bachs Matthäus Passion, meent wat hij vertelt. “Als ik tien keer de Matthäus Passion heb gezongen, krijg ik nare dromen.”

Matthäus Passion o.l.v. Frans Brüggen met. o.a. Nico van der Meel: 31 maart en 1 april Concertgebouw Amsterdam; 2 en 3 april Vredenburg Utrecht.

De Gereformeerde Kerk aan de Amsterdamse Keizersgracht is bijna leeg, in het midden zijn de banken opzij geschoven en daar wordt gerepeteerd voor Bachs Matthäus Passion. Naast dirigent Frans Brüggen, cellist Richte van der Meer en organist Lieuwe Tamminga zitten daar slechts twee zangers: de bas Kristinn Sigmundsson, die de Christuspartij vertolkt, en de tenor Nico van der Meel, die de rol van Evangelist heeft. Het gaat bij deze repetitie niet om de koren, het orkest, de zangers van de aria's maar om de kern van de Matthäus: het verhaal van de evangelist over het lijden en sterven van Christus.

In recitatief nr 32 heeft de evangelist het over de discipelen van Jezus, die op de Olijfberg in slaap zijn gevallen: “und ihre Augen waren voll Schlaf's.” Wie Van der Meel dat zo suggestief hoort zingen, krijgt zelf de neiging even de ogen te sluiten. Maar dan springt Van der Meel op van zijn kruk: luid, fel en geschrokken vertelt hij dat daar Judas aankomt om Jezus te verraden.

Ook op andere dramatische momenten, zoals de geseling en de bespotting van Christus, voelt men in het verhaal van de evangelist zoals Van der Meel dat vertelt, èchte verontwaardiging. Bij het “und schlugen ihn mit Feusten” lijkt Van der Meel woedend te gaan stampvoeten.

Geen andere vertolker van de evangelist Mattheus is zó overtuigend en geloofwaardig, voor velen is hij daarom ook de beste. Het lijkt bij Van der Meel geen kwestie van goed zingen, inleven of acteren, voor de Matthäus-ganger staat hier iemand met een grote persoonlijke betrokkenheid, die werkelijk meent wat hij vertelt.

Is hier inderdaad sprake van echt geloof? Van der Meel: “Ik ken het verschijnsel religieuze gevoelens. Ik ben katholiek opgevoed, ik heb in mijn jeugd heel lang orgel gespeeld in de katholieke kerk in Scheveningen, als zestienjarige het kerkkoor gedirigeerd. Ik ben van na het Tweede Vaticaans Concilie, dus veel meer betrokken bij de inhoud van teksten dan het geval was in de katholieke traditie. Maar ik kan niet zeggen dat ik nu nog gelovig ben of kerkelijk.

“De vraag 'ben je gelovig?' is een verkeerde, omdat daaruit de vraag volgt: waarin geloof je? In God of in iets mystieks: dat er meer moet zijn tussen hemel en aarde? En daarna kun je vragen 'wat is geloof?' Ik geloof niet in een persoonlijke God, dus is het antwoord op die eerste vraag eigenlijk 'nee'.

“Maar ik kan me wel inleven in de gevoelswereld van het geloof, en zeker in die van Bach: protestants en licht-piëtistisch. Die gevoelens ken ik wel: het kippevel tijdens een religieuze bijeenkomst, als een voorganger even de spijker op zijn kop slaat. De vervoering wordt bij mij niet veroorzaakt door muziek, maar juist door iets inhoudelijks.”

Ontroering

Van der Meel kan niet zeggen in hoeverre hij tijdens een uitvoering, waarbij hij zich zo duidelijk inleeft in zijn rol, zelf gelooft. “Dat weet ik niet. Ik sta in de Matthäus Passion een verhaal te vertellen. Het is een goed verhaal, dramatisch en zorgvuldig opgebouwd. Maar ik weet niet of het zo belangrijk is dat het de heilsboodschap is. Het vertellen van het lijdensverhaal is op zichzelf geen religieuze daad. Oneerbiedig gezegd: het lied van Louis Davids over het hondje van Dirkie, waarbij het noodlot ook onafwendbaar is, veroorzaakt een zelfde ontroering.”

Nico van der Meel (39) zong voor het eerst in de Matthäus Passion als tienjarig lid van een Haags matrozenkoor tijdens een uitvoering in de Grote Kerk in Den Haag. “Ik vond dat erg indrukwekkend, veel koorleden, een groot orkest.” In het orkest op de Haagse patersschool was hij actief als pianist, fluitist, paukenist en zanger. Hij studeerde wiskunde en stond als leraar voor de klas maar ging alsnog naar het Conservatorium in Rotterdam omdat hij het dirigeren van een koor leuker vond.

Hoewel Van der Meel als jongenssopraan niet de beste was, kwam hij uiteindelijk van het conservatorium als tenor. In Leiden dirigeert hij het William Byrd Vocaal Ensemble. Sinds 1984 vertolkt hij in de Matthäus Passion en de Johannes Passion de evangelist. De afgelopen dagen, tijdens een Europese tournee van het Orkest van de Achttiende Eeuw stond Van der Meel voor de honderdste keer in de Matthäus.

“Ik heb mij vooral bezig gehouden met de techniek van het vertellen van dat lijdensverhaal. Hoe doe je dat, welke afwisseling breng je aan in toonhoogte, in nadruk, waar leg je de accenten, hoe bouw je dat verhaal op, hoe kun je op het goede moment je slag slaan. Ik had de hele partij graag willen doornemen met de chansonnière en actrice Gisela May, maar helaas had ze geen tijd.

“Bij elke uitvoering doe ik de evangelist anders, omdat het elke keer anders in mijn hoofd opkomt. Als ik mijn gevoelens wil overbrengen, moet ik ook toelaten dat ik gevoelens heb en die wisselen natuurlijk. Aan het begin van het passieseizoen begin ik te gummen in mijn boek: weg met die oude aanwijzingen en nieuwe aantekeningen maken. Dirigenten hebben ook ideeën over de manier waarop de partij van de evangelist in het geheel past.

“Voor veel zangers is recitatief, op toon voordragen, lastiger dan zingen, voor mij niet. Dit past goed bij mijn stem, het is mijn belangrijkste werk en ook het beste dat ik doe. Als ik het bij liederen of opera niet meer weet, ga ik de evangelist zingen. Het zijn geen prachtige melodieën, maar wel buitengewoon goed gecomponeerd, heel beeldend in toonhoogte. Het is zingen, maar in een minder vast stramien. Je hebt meer vrijheid, meer variatiemogelijkheden, zodat je veel keuzes moet maken.

“De vraag is steeds: hoe ver ga je daarin? Je houdt je aan de tekst - maar het ritme? Ik vind dat er toch iets te horen moet zijn van het ritme dat er staat, ook al vlieg ik er soms overheen en houd ik de boel elders weer op. Het verschil met lied en opera is dat je in korte noten erg soepel moet zijn en dat alles direct moet aanspreken. Soms, zoals bij dirigent Ivan Fischer, zing ik zelf in de Matthäus een aria: O Schmerz. Dat is duidelijk wat anders en het is lastig om in één uitvoering beide te doen. Ik doe dat liever niet. Beide rollen vergen een andere mentale instelling.”

Eén acteur

“De Matthäus Passion is een stuk voor één acteur, de evangelist. Ook al staan naast mij de heer Christus en de heer Pilatus te zingen, ik heb tijdens de uitvoering altijd het idee dat het verhaal zich in mijn hoofd afspeelt. De anderen illustreren wat ik vertel. Je hoort vaak dat al die andere figuren levendig moeten zijn en dat de evangelist het alleen maar aan elkaar hoeft te praten met: 'und sagte' en 'und sprach'.

“Ik zie dat andersom. Ik vertel als Mattheus een verhaal waarin anderen voorkomen. Ook al worden ze oor een andere zanger vertolkt, ze zijn een verlenging van mij. De stemmen die klinken zijn mijn herinneringen aan hoe het was. Zij waren er eerst, maar nu zitten ze alleen nog in mijn brein.

“Ik kan als evangelist juist heftiger zijn dan die reële figuren. Ik blijf bezig als de anderen staan te zingen. Ik raak geïrriteerd als ze het anders doen dan ik zou willen. Daarmee verzoen ik me wel, uiteindelijk vind ik steeds een manier om hun benadering in het verhaal te incorporeren.

“De Johannes Passion heeft een heel andere verteltrant. Johannes schreef zijn evangelie toen hij heel oud was, het zijn losse, soms warrige herinneringen, slechte zinnen, inval op inval. De Matthäus heeft op mij een veel grotere emotionele uitwerking, omdat het verhaal zo zorgvuldig en onontkoombaar is opgebouwd. Dat sleept mij mee. Als ik tien keer de Matthäus Passion heb gezongen, krijg ik nare dromen. Het verhaal gaat aan je geest vreten.

“Ik wil acteren met een zo groot mogelijk naturel. Want je kunt pas overtuigen als je je eigen gevoelens toont. Die hoeven niet religieus te zijn. Je kunt de Matthäus Passion net zo goed zingen voor gelovigen als voor niet-gelovigen. Ik wil niemand uitsluiten. Het is niet zo dat je dit alleen als gelovige kunt begrijpen of mooi vinden. Ik ben bang dat als ik zeg dat ik niet geloof, mensen zullen vinden dat mijn vertolking minder waarde heeft. Ik zou kunnen zeggen: op het moment dat ik de Matthäus zing, geloof ik op een gevoelsniveau. Maar dat vind ik flauwekul, want dan krijg je opnieuw de vraag: 'wat is geloof?'

“De laatste keer dat ik een echte katholieke dienst heb meegemaakt, was bij de begrafenis van mijn oma. Dan ben ik van het ene op het andere moment weer ontzettend katholiek. Als ik later dementeer, word ik waarschijnlijk weer erg gelovig, omdat ik denk dat die gevoelens dan weer boven kunnen komen, zonder enige rationele remming.”