Felbegeerd zilver

Tomas Tranströmer: De treurgondel. Gedichten. Vert. J. Bernlef. Uitg. De Bezige Bij. ƒ 27,50.

De bundel Het wilde plein (1992) bevatte alle gedichten die de Zweed Tomas Tranströmer tussen 1948 en 1990 had gepubliceerd. Ook de afdeling 'Ongebundelde gedichten' zorgde voor een schijn van compleetheid: dat was het dan. Toch is er nu een nieuwe bundel, De treurgondel. De onvolprezen J. Bernlef zorgde opnieuw voor de vertaling.

De ernstige ziekte die, aldus de uitgever, Tranströmer verder dichten onmogelijk leek te maken, is dus blijkbaar overwonnen. Maar De treurgondel is geen bundel waarin Tranströmer opgelucht de draad van zijn dichterschap oppakt. Hij heeft meer weg van een postscriptum. De treurgondel staat in het teken van dichterlijke onmacht, van totale stilte en, zoals het in het mooie, wanhopige gedicht 'Alsof je een kind bent' heet, 'een ongehoorde vernedering'.

Stilte is bij Tranströmer altijd een sleutelbegrip geweest. De stilte was, in de gedichten van Het wilde plein, een bron van openbaringen: er dienden zich beelden, herinneringen en visioenen in aan die het hier en nu ('de eeuwig stromende vlek van het heden') uitbreiden tot een surreële wereld die veel meer dimensies omvat. Een wereld die een hier èn een daar is, een nu èn een toen èn een straks.

Het wonderbaarlijke van Tranströmers oudere poëzie is, dat die beelden desondanks niet cryptisch of hoogdravend zijn, maar aards en vanzelfsprekend - achteraf, nadat ze je eerst als een vuistslag hebben getroffen. Wie kan, bijvoorbeeld, nog rustig naar een woelend iemand kijken na een gedicht als 'Nocturne' (1962)? '(-) sommigen kunnen vredig slapen, anderen vertonen gespannen trekken/ alsof zij intens liggen te trainen voor de eeuwigheid'.

In De treurgondel ontbreken dergelijke onthullende beelden - en daarover lijken de meeste gedichten te treuren. Niet voor niets opent de bundel met het credo-achtige 'April en stilte'. De slotregels daarvan kunnen worden opgevat als het motto van de bundel: 'Het enige dat ik wil zeggen/ blinkt buiten bereik/ als het zilver/ bij de pandjesbaas.'

De stilte is niet meer het domein van openbaringen, maar is... stilte. Tegelijkertijd drukt het gedicht uit dat het felbegeerde zilver ooit wel tot de bezittingen van de ik behoorde., maar die beschikt niet meer over de middelen om wat eens van hem was, weer tot het zijne te maken.

Wat hem rest is een verblijf in het hier en nu. Of, zoals het in 'Het licht stroomt binnen' heet: 'Het aftellen is begonnen'.

Wie Tranströmers vroegere gedichten gelezen heeft, kan die Werdegang inderdaad alleen maar 'een ongehoorde vernedering' noemen. Om het gedicht 'Van het eiland 1860' te citeren: welk een aangrijpend 'roeien tegen de stilte op'.