EU wil de burger weer voor zich winnen

TURIJN, 29 MAART. Eén van de lessen die de lidstaten van de Europese Unie uit 'Maastricht' hebben getrokken, is dat een verdragsherziening goed moet worden voorbereid. Een zogeheten reflectiegroep, met vertegenwoordigers uit de vijftien landen, kreeg vorig jaar de taak de onderwerpen te bepalen die tijdens de intergouvernementele conferentie, Maastricht II, aan bod moeten komen. Ze kwamen tot drie hoofdthema's:

DE BURGER

Als de Unie zorgt voor grotere veiligheid en betere politiesamenwerking, gaan de burgers ook meer van Europa houden. Daarom hebben de EU-landen de afgelopen jaren geprobeerd op dat gebied beter samen te werken. Maar de afgelopen maanden is het accent verschoven naar een nieuw hot item: werkgelegenheid. Nu zo'n 20 miljoen Europeanen zonder baan zitten, wordt werk gezien als dè manier om de burger in de EU en straks in de monetaire unie te doen geloven. Uit een deze week verschenen opiniepeiling blijkt dat de euroburgers daar zelf anders over denken. Slechts 17 procent noemt bestrijding van de werkloosheid het belangrijkste thema voor de IGC. De Europese Unie moet zich volgens de ondervraagden vooral om de vrede bekommeren.

Het Europese justitie en veiligheidsbeleid is een van de tegenvallers van 'Maastricht'. Samenwerking op dit gebied, die juist zichtbare resultaten zou moeten opleveren, stuit op politieke moeilijkheden. Na jarenlang onderhandelen, is er nog altijd geen verdrag voor de Europese politiedienst Europol omdat onenigheid bestaat over de rol van het Europese Hof van Justitie. Ook het Verdrag van Schengen, de flexibele vorm van samenwerking van tien EU-landen op het gebied van politiesamenwerking en het slechten van de grenzen, kan niet volledig worden uitgevoerd. Frankrijk kondigde deze week nog aan de grenscontroles aan de noordgrenzen te handhaven, zo lang Nederland zijn drugsbeleid niet aanpast.

DE INSTITUTIES

De instellingen van de Europese Unie zijn berekend op zes, maar inmiddels zijn er vijftien leden. Aanpassing is dus nodig, al helemaal met het oog op de komende uitbreiding van de EU. Zo wordt het aantal commissarissen, nu twintig, onwerkbaar. Ook moet er duidelijkheid komen over de verhouding tussen de Europese Commissie en de raad van ministers, over de rol van het Europees Parlement en over de manier van besluitvorming.

De institutionele discussies lijken op het eerste gezicht gekissebis over technische details, maar daar achter schuilen grote politieke belangen. Het aantal commissarissen, bijvoorbeeld, ligt zeer gevoelig bij de kleinere landen. Ze vrezen in te boeten aan macht als ze 'hun' commissaris moeten inleveren, zeker nu de unie gaat uitbreiden en hun stem straks nog minder zwaar zal wegen. Hoe kleiner het land, hoe sterker de wil een eigen commissaris te behouden. “Institutionele hervorming mag niet leiden tot afname van de invloed van kleine en middelgrote landen”, waarschuwde onlangs de Portugese minister van buitenlandse zaken, Jaime Gama.

Om de commissie toch werkbaar te houden, hebben de Benelux en de commissie zelf voorgesteld het aantal commissarissen te beperken tot één per land. Dat betekent dat de vijf grotere lidstaten een commissaris moeten inleveren. Duitsland, Italië en Spanje lijken hier geen moeite mee te hebben, maar Frankrijk wil verder gaan: de Franse onderminister voor Europese zaken, Michel Barnier, pleit voor maximaal tien commissarissen. De Britse regering stelt in haar witboek over de IGC een tweedeling voor tussen commissarissen uit de grotere landen met stemrecht, en die uit de kleinere landen zonder. Maar de Zweedse staatssecretaris voor Europese zaken, Gunnar Lund, noemt dergelijke voorstellen “behoorlijk provocatief voor de kleinere landen”. Ook Ierland weigert ,het recht te verliezen om een volledig lid van de Commissie aan te wijzen.

Niet alleen de samenstelling, ook de rol van de commissie als 'Europese regering' in spe is een politiek hypergevoelig onderwerp. De Commissie zelf en de Benelux pleiten voor versterking van haar bevoegdheden. Met name Groot-Brittannië is daar fel op tegen om dat het meer macht voor 'Brussel' betekent. Ook Frankrijk wil dat de Raad van Ministers het belangrijkste besluitvormingsorgaan blijft en zijn taken scherp afbakent tegenover de Commissie. In die ministerraad willen Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië dat hun stem zwaarder gaat wegen. De grotere landen eisen dat meer rekening wordt gehouden met het aantal inwoners. Nu liggen de verhoudingen zo dat, indien er in de raad met meerderheid van stemmen wordt besloten, Luxemburg eenvijfde van het stemgewicht heeft van Duitsland terwijl het slechts eentweehonderdste telt van de Duitse bevolking.

In de raad van ministers worden de meeste besluiten genomen met unanimiteit, waarbij ieder land zijn veto kan doen gelden. De Commissie redeneert dat deze besluitvorming vertragend werkt. Daarom wil ze van meerderheidsbesluiten regel maken. Met name Londen is niet van plan zijn vetorecht op te geven en wil stemrecht repatriëren. Maar ook andere landen willen hun veto handhaven, zoals Griekenland op het terrein van buitenlands beleid en Zweden en Luxemburg in belastingzaken.

Ook over het Europees Parlement lopen de meningen uiteen. De Benelux en Duitsland willen de democratische rol van het parlement versterken. Groot-Brittannië is tegen meer invloed voor het Europees Parlement want voor je het weet, zeggen eurosceptische Britten, is het Britse Lagerhuis gedegradeerd tot de status van gemeenteraad.

BUITENLANDSE POLITIEK

Het buitenlands beleid van de Europese Unie is zwak. Daarover zijn de lidstaten en de Commissie het eens. De schrijnende onmacht die de afgelopen jaren bleek in ex-Joegoslavië en onlangs weer in een Grieks-Turks conflict over een onbewoond eiland in de Aegeïsche zee, tonen dat aan. Iedereen wil een efficiënter beleid, de vraag is: hoe?

Algemene steun krijgt het voorstel voor een planning- en analyse-centrum, dat het buitenlands beleid moet voorbereiden. Onenigheid bestaat over de vraag waar deze 'planning-unit' zich moet bevinden. Bij de Raad van ministers, zeggen Groot-Brittannië en Frankrijk. Bij de Commissie, zeggen de Commissie en Duitsland. Ook achter deze schijnbaar technische discussie schuilen politieke belangen: als het analyse centrum wordt ondergebracht bij de raad van ministers, houden de lidstaten directe controle.

Een ander voorstel om het buitenlands beleid meer gezicht te geven, is het aanstellen van een meneer of mevrouw PESC (Politique Etrangère et de Securité Commune), een Frans idee. Ook hier luidt de vraag: ressorteert deze man of vrouw onder de Raad of onder de Commissie? De Commissie ziet een meneer of mevrouw PESC helemaal niet zitten. Ook het Europees Parlement vreest dat meneer of mevrouw PESC zich aan zijn controle zal onttrekken. Verwacht wordt dat er wel een meneer of mevrouw PESC komt, maar van een minder hoog niveau dan de 'super secretaris-generaal' die Frankrijk voorstelt.

Op het gebied van buitenlands beleid moet alles unaniem worden besloten, wat leidt tot verlamming. Daarom stellen Frankrijk en Duitsland in een gezamenlijk rapport 'constructieve onthouding' voor: de landen die niet mee willen doen met een bepaalde actie doen dat niet, maar werken de anderen niet tegen en betalen wel mee. In het verdrag van Maastricht is al de verklaring opgenomen dat, indien een land niet mee wil doen, het zich kan onthouden. Maar deze bepaling is nooit gebruikt. De Commissie stelt voor ook op dit gebied van meerderheidsbesluiten de regel te maken. Eurosceptische Britten daarentegen zeggen dat op die manier Belgen en Grieken binnenkort Britse soldaten op oorlogspad zullen sturen. Zij willen hun veto over het buitenlands en defensie beleid behouden.

DEFENSIE

Een Europees defensiebeleid is tot dusver niet van de grond gekomen. Hoewel de Verenigde Staten initiatieven voor een Europese defensie-identiteit aanmoedigen, staan soevereine ambities de gemeenschappelijke defensie in de weg. De voornaamste vraag is: moet de Westeuropese Unie, de Europese pijler van de NAVO, worden geïntegreerd in de EU? Ja, zeggen Frankrijk, Duitsland, de Benelux en de Commissie. Nee, zegt Groot-Brittannië. Evenmin enthousiast zijn de landen die geen lid zijn van de WEU: Finland, Oostenrijk, Zweden en Ierland. De secretaris-generaal van de Westeuropese Unie, José Cutileiro, voorspelde vorige week in een vraaggesprek met deze krant dat het tijdens de IGC zal blijven bij enige versterking van de relatie tussen Unie en WEU. “Een integratie zie ik in de nabije toekomst niet gebeuren.”