En plein air langs de A2; De verouderde codes voor schilderachtigheid

Weinig kunstenaars vinden inspiratie in de gebouwde omgeving van deze tijd, ze berusten in de onvermijdelijke lelijkheid. Toch zullen we in de gebouwde treurigheid een nieuwe schilderachtigheid moeten ontdekken. Anders is het niet de moeite waard om rond te blijven kijken.

Kleine kinderen weten al wat schilderachtig is. Het blijkt uit hun tekeningen, waarin huizen, een locomotief, zelfs een auto hun klassieke vormen behouden. Ook voor een stadskind is een huis een woning zonder verdiepingen met een puntdak en een schoorsteen, de locomotief en het schip hebben een rookpluim, de auto leeft voort als een coupé met een duidelijke voor- en achterkant. Kinderen tekenen een voorbije werkelijkheid die gestold is in de vormen van hun speelgoed en de voorbeelden die hun ouders tekenen. Ze tekenen in codes die 'mooi' gevonden worden en die, uitgewerkt en gedetailleerd, als 'schilderachtig' worden aanvaard.

Toen de beeldende kunst zich van de uitsluitende dienstbaarheid aan kerk en religie had bevrijd en er landschappen en stadsgezichten omwille van zichzelf werden gemaakt, kwamen ook de codes, vooral vastgesteld door de Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw. Codes van schilderachtigheid die eeuwen bleven gelden en dat nog doen. Ze behelzen stilzwijgende afspraken tussen kunstenaars en hun publiek zodat beide partijen weten waar ze aan toe zijn. Iets totaal anders dus dan het onbegrip en de wederzijdse woede die de abstracten en het grote publiek gescheiden houden.

Het schilderachtige biedt zekerheden en dwingt bewondering af voor ambachtelijk kunnen. Mooi, schilderachtig zijn een boslaan in tegenlicht, een stolpboerderij onder een wolkenlucht, door het ochtendlicht verzilverde mistbanken boven de Linge. Het im- en expressionisme kwamen, het fauvisme en kubisme, het al of niet magisch realisme, maar de zekerheden van schoonheidsvoorschriften behielden hun kracht.

Rebellenclub

Even leek er sprake te zijn van doorbraak en verloochening, heel even werd het ezelschilderij iets bespottelijks in sommige kunstenaarskringen waar de schilderkunst zelfs helemaal dood verklaard werd. Evenals God. Een nieuwe tijd, nieuwe vormen, liever nog helemaal geen vormen. De slinger van de kunstgeschiedenis viel snel terug. De academieverlaters begonnen weer met het exposeren van figuratie, de rebellenclub rondom Peter Klashorst ging pesterige kitsch-landschapjes afleveren in een opvatting die ze 'After nature' noemden.

Overigens waren veel schilders en zeker de fotografen de oude codes trouw gebleven met zeer verschillende resultaten. Dezelfde boom langs dezelfde beek immers wordt bij de één een plat plaatje en bij de ander een door een geheimzinnige meerwaarde bezield kunstwerk. Maar toch: de rietgedekte boerderij, een roedel roodwild op de Veluwe, de in het Naardermeer wegzakkende avondzon, het zijn halve waarheden op de grens van de leugen. Evenals de palazzo's in Venetië, de oude dorpen op bergtoppen of juist aan de zee van Zuid-Frankrijk: ze zijn imitaties van zichzelf geworden. We blijven ze koesteren als tegenwicht tegen het in ons levende onbehagen, we hebben geen vrede met de woekering van zesbaanstunnels, betonnen fly-overs en de blauwspiegeling in de glastorens van een dolgedraaide administratie.

We ontkennen dat alles en blijven de trapgevels fotograferen met ontwijking van de langs de gracht geparkeerde auto's, terwijl we de nieuwbouwwijken mijden als de pest.

Toch zijn de codes van het schilderachtige, geformuleerd door de meesters van drie eeuwen geleden, mede gebaseerd op de utiliteitsbouw van toen en niet op het mooie. De boerderijen, molens, pakhuizen, koetsen, schepen werden niet door esthetiserende ontwerpers bedacht maar ontwikkelden zich langs de lijnen van efficiency. Er kwam geen design te pas aan een Noordhollandse stolpboerderij, maar overwegingen van het gebruik van stalwarmte, de opslag van hooi en een zo goed mogelijke ventilatie. Ook de molens waren uitgekiende produktie-eenheden, die zo massaal in het landschap en de steden stonden dat ze vandaag waarschijnlijk als 'horizon vervuilend' zouden zijn aangemerkt. De schilders gebruikten ze als vanzelfsprekende elementen in hun topografische tijdsbeelden, soms ook als het beeldritme bepalende accenten. De codes werden in later eeuwen wat vervormd en uitgebreid, maar ze bleven bestaan. De negentiende eeuw nam het door begaafde voorgangers gestandaardiseerde dictaat van schilderachtigheid graag over en voegde er het schilderachtige van de armoe aan toe.

Het karige maal noemde Jozef Israëls een groot schilderij van een boerenfamilie die in de schemerige ruimte van hun bedoening aan de aardappels met spekvet zit, Gebed voor de maaltijd heet een overeenkomstig werk van Max Liebermann, dat op de voorgrond de Gods onmisbare zegen afsmekende landslieden toont en op de achtergrond het reeds kauwende vee in de stal-huiskamer. Met de Aardappeleters vervolgde Vincent van Gogh deze thematiek van tevredenheid op het door het Opperwezen gewilde bestaansminimum.

De oude voorschriften, bijgesteld door de negentiende-eeuwers, gelden nog steeds, doorlevend in een verstarring waarin een oude boerderij mooi is in tegenstelling tot een agrarisch woonhuis met losse bedrijfsloods, een hooiberg contra een silo met mengvoer, zeilschepen zijn schitterend, stoomschepen mogen ook, door dieselmotoren voortgedreven binnenvaartschepen worden schoorvoetend toegelaten. Boven alles wordt de auto visueel ontkend, hij is het grote symbool in ons schuldgevoel over de omgewoelde fabrieksbelt die Nederland aan het worden is.

De beeldende kunst en ook de fotografie blijven vooralsnog in problematische verhouding ten opzichte van de nieuwe technologie en de schaalvergrotende ontwikkelingen in onze omgeving. In het stadsgezicht worden de wurgende nieuwbouwschillen, die duizendmaal herhaalde karaktermoord op dorpen en steden, vermeden, tenzij ze in een visueel commentaar worden neergesabeld. Zoals Jeroen Henneman deed in zijn vogelvluchten over panorama's van bouwblokken en snelwegen, die zich onder zijn handen voegden in schema's van gruwelijkheid.

Groothoeklenzen

De nieuwe architectuur gaan we vooral fotografisch te lijf met de vertekenende mogelijkheden van de moderne optiek. Groothoek-, tele- en onthoekingslenzen manipuleren het nieuwe bouwen waarmee we kennelijk geen raad weten. Dewerkelijkheid ervan wordt herschapen tot een visueel aanvaardbaar spel van lijnen, vlakken, spiegelingen.

Wat moeten we anders met Bijlmermeren en Groothandelsgebouwen? De schilders blijven, met hier en daar een uitzondering, helemaal weg. In principiële tegenstelling tot hun vakbroeders van een paar eeuwen terug, vinden ze geen inspiratie in de gebouwde omgeving van hun tijd, ze berusten in de blijkbaar onvermijdelijke lelijkheid van het heden. Het is een negatieve waardering die te maken heeft met de kennis van onzichtbare bedreigingen: straling, ons aller longen bedreigende uitstootvervuiling, het violette spook dat door het gat in de ozonlaag sijpelt, het gif in de vissen en op het fruit.

Toen we van dit alles nog geen weet hadden, reageerden sommige kunstenaars positiever op het nieuwe. George Breitner schilderde heipalen in bouwputten, stoommachines en trams, nam ze op in een sfeer van schoonheid. Hij keek met een artistiek oog naar techniek en transport. Zijn jongere collega's Herman Heyenbrock en H.E. Roodenburg deden dat ook, mede op basis van hun (socialistische) geloof dat de komende massaproduktie de arbeidersklasse tot in lengte van dagen werk en welvaart zou brengen. Heyenbrock ging wel heel ver toen hij schreef: 'Hoeveel fijner zijn de lijnen van schoorstenen dan die van boomen, wanneer de langzaam stijgende lucht een schoonheid geeft, als nooit tevoren'. Hij had niet alleen vrede met de hitte, rook en stof in de fabriekshallen, hij vond ze mooi. Ook Roodenburg had artistieke belangstelling voor kraakinstallaties, cokesbatterijen en vooral voor locomotieven, treinen, stations. En dan was er ook Johan Hendrik van Mastenbroek die de Afsluitdijk in wording schilderde, gefascineerd als hij was door het heroïsche van baggeraars, zandhappers, basaltwerkers, kranen en sleepboten.

Toch behoorden deze artistieke optimisten al in hun eigen tijd tot een kleine minderheid, die inmiddels weer vrijwel weggesmolten is. Zoals gezegd: op zeker moment klonk al in het eindexamenwerk van de academieverlaters het figuratieve pessimisme door over de vervlakking en verdomming van het nieuwe landschap.

Want die bestaat natuurlijk, de door mensenhanden geschapen omgeving die op nieuwe waardering wacht. We zullen in de gebouwde treurigheid een nieuwe schilderachtigheid moeten ontdekken. Anders is het niet langer de moeite waard te blijven rondkijken en dan verliest het leven veel van zijn zin.

Hoewel het vooralsnog moeilijk voorstelbaar is dat een schilder zich en plein air langs de A2 neerzet en hoewel beeldend kunstenaars de unieke kans misten om zich door uit het niets verrijzende nieuwe steden als Almere en Lelystad te laten inspireren, zijn er af en toe toch pogingen tot een nieuwe schilderachtigheid te bespeuren.

Zo figureert al jaren op allerlei tentoonstellingen een foto-realistisch schilderij van Piet van Loo (1905-1991), dat een verkeersbord langs een duinpad voorstelt. Het prominent op de voorgrond staande bord verbiedt motorrijtuigen en brommers de toegang tot het strand. Van dit uit een groter geheel geïsoleerde partje werkelijkheid gaat een vreemde, moeilijk te verklaren bekoring uit. Het bord werkt ook als een vermanende vinger aan de collega's om anders te gaan kijken. Om bijvoorbeeld tot het besef te komen dat het lelijke door gewenning dierbaar kan worden. Oude gebouwen, al zijn het gevangenissen, kunnen niet meer echt lelijk zijn. Als ze worden afgebroken krijgen we medelijden, alsof we moeten toekijken bij het mishandelen van een oude man. Zelfs in die wurgende nieuwbouwschillen kunnen ontroerende situaties worden gevonden zoals Edward Hopper bewees; bij hem kan zelfs een verlaten benzinepomp een schilderkunstig monument worden.

Notenbalken

Het is mogelijk om de oude codes enigszins aan te passen. Toen ooit de houten telegraafpalen in het landschap verschenen, werden er driftige publicaties aan deze storende elementen gewijd. Maar toen ze na een halve eeuw verdwenen, werd dat als een landschappelijke verarming ervaren. We missen de simpele houten stellages met de ertussen hangende stroomdraden die als rustpunten voor zwaluwen dienden. In de lucht hangende notenbalken. Schilders en fotografen gebruikten de palen graag als ritmische motieven.

Poëzie in de nieuwe regelmaat. De fotograferende kunstenaar Ger Dekkers heeft zo'n poëtische visie op het door mensenhanden geschapen landschap in de IJsselmeerpolders, waar de rechte lijnen van dijken, vaarten, wegen, kavels en sloten passen in de geometrie van de tekentafel. Dekkers ontdekte schoonheid in het nauwkeurige, de rechte lijn, de scherpe hoek, de wiskundige zekerheid van verdwijnpunten op de horizon. Of van een rij hoogspanningsmasten die verticale elementen zijn in de zo platte polders.

Inderdaad, de hoogspanningsmasten, reusachtige stalen constructies, die hoog in de lucht de vrachten kabels dragen waarlangs de stroom van centrales naar distributiestations gaat. Soms, als ze een randmeer of een kanaal moeten overspannen, groeien de masten tot de hoogte en omvang van technische kathedralen. Na de nodige jaren van gewenning gingen we toegeven dat ze niet alleen maar lelijk waren, maar imposant en machtig, monumenten van onbedoelde ingenieurskunst.

Fotografen hadden dat het eerst in de gaten. Ze namen het hoogopgaande spel van metalen balken en draden op in hun experimenten met standpunt en compositie.

De Sovjetrussische constructivistische kunstenaar Aleksander Rodtsjenko deed dat, de politiek diametraal anders denkende Amerikaanse Margaret Bourke-White volgde hem in een nieuwe zakelijkheid die bij ons door bijvoorbeeld Cas Oorthuys werd aangehangen. In de schilderkunst leidde het tot De Stijl en Piet Mondriaan; de Russische schilder El Lissitzki volgde zelfs een ingenieursstudie om zijn op geloof in de techniek gebaseerde kunst te schragen. Veel later zou de beeldhouwer Henk Visch zijn beeld Ecce Homo maken met de vormen van een hoogspanningsmast als uitgangspunt.

Er zijn ook de windturbines, de molens van tegenwoordig, opgesteld in pelotons, in Friesland vooral maar ook in het gelid op de dijken van zee-armen. Ze verdienen nader bekeken te worden, deze puur functionele windmachines zonder ornamentele flauwekul, ze zullen hun plaats in onze ook geschilderde landschapsbeleving vinden, net zoals eerder de klassieke molens hebben gedaan.

In dit verband moeten we het zeker ook hebben over de bunkers, die grijsbetonnen kazematten, bouwsels uit volstrekt voorbije oorlogen, toen bomvrije onderkomens, uitvalsstellingen in verdedigingswerken, agressieve spinnenkoppen op de droge punten in een waterlinie. Ze werden gebouwd om bestand te zijn tegen het grofste geweld en ze lieten zich dan ook niet slopen toen ze niet meer nodig waren. Ze blijven staan, de betonklompen, klimop kruipt langs de haken waar eens camouflagenetten aan hingen, schapen zoeken de beschutting van hun schaduw, er worden champignons in gekweekt, ze dienen als vakantiehuisje of zelfs als tentoonstellingsruimte. En inderdaad, een enkele keer komen ze terecht in de beeldende kunst. In het duingebied De Nollen bij Den Helder had de kunstenaar Rudi van de Wint het plan een bunker tot artistiek bezinningscentrum te maken. Door een glazen dak zou het licht op abstracte muurschilderingen rondom vallen.

De bezoeker vertoeft dan in het binnenste van een groot schilderij, hij is opgenomen in kleuren en een suizende stilte.

Ze horen erbij, die bunkers, in heel of half gebruik of wegzinkend in het duinzand, overwoekerd door helm en wilde roos. Ze zijn monumenten geworden, in ieder geval van historisch, soms ook architectonisch belang, of als grillige vormen met picturale mogelijkheden. Of om zomaar naar te kijken.

Er is een Duitse fotografengroep die het lelijke van fabrieksgebouwen, herhalingswoningbouw, bunkers, centrales, zelfs het industriële landschap, zoals dat bij ons in de Europoort bestaat, systematisch fotografeert. Ze gebruiken het liefst technische camera's zodat er geen vertekeningen zijn, géén mooimakerij, maar rechttoe-rechtaan.

Gefotografeerd of geschilderd kan de nieuwe lelijkheid interessant worden, boeiend om er zó naar te kijken. De Afsluitdijk en de nieuwe brug bij Zaltbommel vinden we al mooi, maar ook de benzinestations, aquaducten, tunnels, zesbaanswegen hebben recht op een waardering die naast onze bewondering van het Naardermeer in tegenlicht moet groeien.