Een monster kruipt het plein op; De zegeningen van de megabioscoop

De megabioscoop verovert Nederland. In vier steden staan al grote gebouwen die met riante zalen, comfortabele stoelen, parkeergarages en restaurants de Nederlander weer naar de bioscoop moeten lokken. Met de megabioscoop in Rotterdam, die gisteren is geopend, heeft het nieuwe type bioscoop ook een nieuwe vorm gekregen. “'s Avonds is het gebouw een zwak schijnende lamp.”

Golfplaat provoceert. Nog steeds wekt het materiaal vooral associaties met krottenwijken en schuurtjes in volkstuintjes. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de gisteren geopende golfplaten bioscoop op het Rotterdamse Schouwburgplein op veel algemene bijval kan rekenen. Toch is golfplaat hard op weg hèt bouwmateriaal van de jaren negentig te worden. Steeds vaker wordt het gebruikt in nieuwe gebouwen, niet alleen in woningen en winkels, maar ook in kunsthallen, overheidsgebouwen, bedrijfskantoren en musea, bouwwerken die gewoonlijk een zekere grandeur moeten uitstralen.

Golfplaat is nu nog het teken van de avant-garde: niet duidelijker dan met dit materiaal kan een architect zeggen dat zijn ontwerp moderne, hedendaagse bouwkunst is. Maar, zoals het altijd gaat met avant-gardistische vindingen, het is een kwestie van tijd voor ook minder vooruitstrevende architecten golfplaat in hun gebouwen zullen verwerken.

De Rotterdamse bioscoop zal dan een moeilijk te overtreffen hoogtepunt in de golfplaatarchitectuur blijken. Want behalve de glazen onderkant bestaat de kolos op het Doelenplein consequent uit golfplaat. Niet als gevelbekleding heeft architect Koen van Velsen het gebruikt, zoals in de meeste gevallen van jaren-negentig-architectuur. Nee, de gevel is helemaal, zowel van binnen als van buiten, van golfplaat, dat bovendien is gebruikt om pijpen en brandtrappen geheel of gedeeltelijk aan het oog te onttrekken.

Van Velsens gebouw is nog in een ander opzicht een voorlopig hoogtepunt: met zijn zeven zalen en 2724 stoelen is het de grootste van de megabioscopen die de laatste jaren in Nederland zijn gebouwd. De megabioscoop is een nieuw verschijnsel dat in hoog tempo Nederland verovert: binnen anderhalf jaar zijn er vier geopend, in Maastricht, Groningen, Den Haag en Scheveningen. De Rotterdamse is de nieuwste, maar zeker niet de laatste: plannen voor megabioscopen in Breda en Eindhoven zijn in een vergevorderd stadium. Als alles goed gaat, zal Den Haag aan het Spui over niet al te lange tijd nog een megabioscoop krijgen. En in Amsterdam, altijd wat laat met nieuwe dingen, begint binnenkort de bouw van een nieuw theater, pal naast de bioscoop Tuschinski, op de plek waar nu de Hema staat. Dit L-vormige gebouw, waarvan het voorlopig ontwerp van George J. van Delft nu wordt uitgewerkt, zal een ingang aan de Vijzelstraat krijgen. Dertien zalen met in totaal 2630 stoelen zal het complex behelzen, zodat hier, samen met de 1265 stoelen van het huidige Tuschinski en de 318 stoelen van het voormalige Nöggerath, het grootste bioscoopcomplex van Nederland ontstaat.

Multiplex

Voor de stroom megabioscopen in Nederland op gang kwam, kende België het verschijnsel van de gigantische cinema's al. In Antwerpen en Brussel staan zogenaamde megaplexen. Maar de Belgische gedaante van de megabiosoop heeft in Nederland nog geen voet aan de grond gekregen. Anders dan in België staan de Nederlandse reuzebioscopen vooralsnog niet aan de rafelige stadsranden, de door sommige architecten zo bezongen 'periferie'. Plannen voor megaplexen in Diemen, het 'lelijkste dorp van Nederland', Amsterdam Zuid-Oost en Capelle aan den IJssel bestaan wel en leiden ook herhaaldelijk tot discussie over de mogelijk desastreuze gevolgen ervan voor de binnensteden, maar vooralsnog zijn er alleen megabioscopen verrezen in de oude stadscentra. Bovendien zijn de Nederlandse megabioscopen niet zo groot als de Belgische: tellen die al gauw een stuk of twintig zalen, de nieuwe bioscopen in Nederland blijven tot nu toe steken bij een stuk of acht, negen. Niet megaplex, maar multiplex is dan ook de afzichtelijke naam waaronder de grote bioscopen in Nederland gebukt gaan.

De Nederlandse megabioscopen zijn geen radicaal nieuw verschijnsel. Ze doen denken aan de oude, grote bioscopen die in de loop der jaren steeds meer zalen hebben gekregen. Begonnen als theater met één grote zaal zijn deze vaak uitgegroeid tot een complex van een stuk of zes zalen en zaaltjes. Tuschinski en City in Amsterdam zijn er voorbeelden van: ooit waren dit gebouwen met één grote theaterzaal compleet met toneeltoren, maar in de laatste decennia zijn er steeds meer zalen bijgekomen zonder dat het gebouw zelf noemenswaardig groter werd. Overal waar plaats was, en dan vooral in de toneeltorens, zijn zalen gebouwd. Erg opwekkend zijn deze in het algemeen niet, eerder armetierig, muf en gehorig. Veelzeggend is de grap die vroeger over het Citytheater werd gemaakt: “Er is weer een zaal in de City bijgekomen.” “O ja?” “Ja, ze hebben nog een wc ontdekt.” Bovendien zijn de zalen, zaaltjes en foyers met elkaar verbonden door rare gangetjes, die van de vroegere filmpaleizen een labyrint van onaanzienlijke ruimtes hebben gemaakt.

Comfort

De nieuwe megabiosopen moeten aan deze wantoestanden een einde maken. Riante zalen, comfortabele stoelen met veel beenruimte, een goede projectie op een groot scherm, mooi geluid en veel dienstbaar geüniformeerd personeel moeten de Nederlander vaker naar de bioscoop lokken. Nu gaat de Nederlander nog maar één keer per jaar. Internationaal gezien is dit erg weinig - de Belg gaat veel vaker naar zijn megaplexen - en Pathé Cinemas, die alle tot nu toe geopende multiplexen bezit, denkt dat met meer dienstbetoon en comfort ook de Nederlander wel twee of zelfs drie keer per jaar wil gaan kijken naar grote, vooral Amerikaanse publieksfilms als Get Shorty, Copycat, Money Train en Braveheart.

Misschien gaat dit wel lukken. De multiplexen maken het in ieder geval mogelijk om van een bezoek aan de bioscoop weer een echte avond uit te maken. Parkeren levert bij de nu geopende megabioscopen weinig problemen op: er zit een parkeergarage onder zoals in Groningen of Rotterdam of er is een in de buurt, zoals in Scheveningen. Wie eenmaal een multiplex binnengaat, merkt dat een plaats in het café of in het restaurant niet moeilijk is te krijgen, doordat de films op steeds andere tijdstippen beginnen.

Ook de zalen zijn veel rianter dan de holen in veel oude bioscopen. Alle multiplexen hebben tribunezalen, waar tussen de rijen een aanzienlijk hoogteverschil zit, zodat niemand meer wordt gehinderd door lange voorbuurmannen en -vrouwen, ook al hebben die nog zulke grote bossen haar. De comfortabele stoelen en de beenruimte voorkomen dat de bioscoopbezoeker meer gaat denken aan de juiste zithouding dan aan de film. Het enige dat nog kan afleiden is het kabaal van drank en voedsel consumerende buren, die hierin jammer genoeg worden gestimuleerd door de ronde gaten tussen de stoelen waarin ze hun bekers kunnen plaatsen.

Wat echte functionalisten ook mogen beweren, een goed functionerend gebouw betekent nog niet dat het om grootse architectuur gaat. De tweede multiplex bijvoorbeeld, Movieworld in Scheveningen ontworpen door Theo Haayen, lijkt nog het meest op een van die kantoorgebouwen die overal langs de Nederlandse snelwegen uit de hemel zijn neergedaald. Maar dan wel een volgens de mode van een jaar of tien geleden. Want terwijl recent opgeleverde kantoren in de bedrijvenparken aan de rand van de steden steeds vaker worden bekleed met een keur aan materialen, waaronder het een spectaculaire comeback makende baksteen, overheerst in Movieworld met zijn grote, glazen, ronde façade nog het bouwmateriaal dat kenmerkend was voor de jaren tachtig. Nu is er natuurlijk niets tegen 'ouderwets' glas, maar in de Scheveningse façade is het vervat in zulke brede, hoekige profielen en hangen er zulke dikke buizen voor de glazenwassers voor, dat het resultaat grof en plat is, meer passend bij provisorische architectuur dan bij een uitgaanspaleis.

Die grofheid zet zich door in de foyers, die op de meest voor de hand liggende plek, aan de straatkant, zijn geplaatst. De witte tegels, de beige en wit gepleisterde muren met hier en daar accenten in natuursteen, de systeemplafonnetjes en het gebruik van neon wekken onmiddellijk de associatie met fastfood-restaurants waar alles is gericht op een efficiënte verwerking van de stroom eters. Het enige voordeel van de foyers is dat ze uitzicht bieden op het Kurhaus.

Ook de multiplex met 1678 plaatsen in Maastricht, ontworpen door Gerard Schippers van architectenbureau Hoen, heeft aan de Wilhelminasingel een glazen façade gekregen. Die is van dezelfde treurige grofheid als die in Scheveningen. Het glazen ding lijkt er op het laatste ogenblik voorgezet en contrasteert met de geheel gesloten gevel van bruin natuursteen aan de Lipkensstraat waarachter de zes zalen verborgen gaan. De foyer bevindt zich in de wig die tussen het nieuwe zalenblok en een oud schoolgebouw aan de Sint Maartensstraat dat in de bioscoop is opgenomen en bijdraagt aan de verbrokkelde en rommelige indruk die de Maastrichtse megabioscoop maakt. Daar kan de door Van Delft verzorgde inrichting, beheerst door rood tapijt en gele muren, niets aan veranderen.

Rood en geel zijn ook de kleuren die het interieur van de multiplex in Groningen beheersen. Hier mocht Van Delft, zo'n beetje de huisarchitect van Pathé Cinemas, dan ook vrijwel het hele gebouw ontwerpen. Alleen de gevel moest, zo bepaalde de gemeente Groningen onder het motto 'eigen bewoners eerst', worden getekend door het Groningse bureau Aas. Dat heeft met een geel gepleisterde muur waarin een schuin oplopende glazen vlak is uitgesneden gezorgd voor iets dat past bij het interieur.

De Groningse multiplex heeft dezelfde opzet als Movieworld in Scheveningen: de foyers, grotendeels van buitenaf zichtbaar, zijn weer aan de straatkant geplaatst, daarachter bevinden zich, boven en naast elkaar, de zalen. Jammer genoeg wordt deze eenvoud enigszins teniet gedaan door de vele trappen en gangen die voor een doolhofachtige indruk zorgen en zo herinneren aan de oude, van steeds meer zaaltjes voorziene bioscopen.

Sculptuur

Pas met de multiplex in Rotterdam heeft de nieuwe bioscooparchitectuur ook een nieuwe vorm gekregen. Niet alleen het rigoureuze gebruik van golfplaat maar ook de vorm die Van Velsen heeft ontworpen is radicaal anders dan alles wat tot nu toe bij bioscopen gebruikelijk is geweest. De Rotterdamse megabioscoop is één grote, abstracte sculptuur, een compositie van verspringende vlakken. Vooral als de zon schijnt, zorgen de verdraaiingen van de gevel voor steeds andere reflecties van het licht, zodat de monotonie van de golfplaat wordt doorbroken. 's Avonds, als het donker is, zal de golfplaat het licht van binnen doorlaten, en wordt het gebouw een zwak schijnende lamp.

De verspringingen in de gevel hebben niet alleen sculpturale maar ook functionele oorzaken. Ze maken het mogelijk dat degene die nu het Schouwburgplein vanaf de Kruiskade opgaat, zicht houdt op de Stadsschouwburg van Quist en dat de ruimte tussen de winkels en de bioscoop te breed is om straatpissers een beschut gevoel te geven. “De bioscoop is onderdeel van de herinrichting van het Doelenplein van West 8, het bureau van Adriaan Geuze”, vertelt Koen van Velsen. “Het was niet de bedoeling dat de megabioscoop zomaar een stuk van het plein zou innemen. Meer dan een doos moest het zijn. Nu is het een log monster dat het plein opkruipt.”

Ook het interieur van het monster is anders. De bioscoopganger komt vanaf het Doelenplein eerst terecht in een ruime hal met kassa's, en gaat dan via een brede, met rode vloerbedekking bedekte trap naar de werkelijke foyer, een hal met een vloer van glanzende metaalplaten. “De hal met de kassa's is een voortzetting van het plein dat gedeeltelijk zal worden bedekt met donkergroen epoxy”, zegt Van Velsen. “Meestal zijn bioscopen dozen, waarin je wordt opgeslokt met het doel om film te kijken. Maar deze foyer is een semi-openbare ruimte, een voortzetting van de stad. Op verschillende punten kijk je uit op de stad, op de auto's bijvoorbeeld op weg naar de parkeergarage hieronder. De ruimte is ook toegankelijk voor mensen die geen kaartje hebben. Zo wordt het een plek waar je kunt afspreken, waar je 's morgens koffie kunt drinken en 's avonds een borrel. Ik wilde van de bioscoop weer echt theater maken, geschikt voor iedereen. Daarom heb ik ook aangedrongen op een garderobe.”

De foyer is een ronduit spectaculaire ruimte geworden die wordt beheerst door de schuine vlakken en de overal zichtbare (rol)trappen naar de zalen boven en beneden. De schuine lijnen doen vaag denken aan de dronkemansbouwkunst van deconstructivisten als Zaha Hadid, maar terwijl je je bij dit soort architecten voortdurend afvraagt waarom ze het zo doen en niet anders, zijn de schuine plafonds in de Rotterdamse bioscoop het logische gevolg van de schuine vloeren van de bovenliggende tribunezalen. Vanuit de foyer heeft men uitzicht op het 'grand café' dat ondergronds is gelegen in een ruimte die vroeger onderdeel was van de parkeergarage waarop de nieuwe bioscoop is gebouwd. Omgekeerd ziet de cafébezoeker in de hoge vide boven hem de trappen die naar de verschillende zalen leiden en blijft zo getuige van de drukte van de bioscoop.

Koen van Velsen werd in het laatste Jaarboek van de architectuur door criticus Hans van Dijk omschreven als de pionier van de nu populaire collage-bouwkunst, waarin allerlei vormen en materialen in één gebouw worden samengebracht. Maar in de megabioscoop heeft Van Velsen niet alleen in het exterieur juist gezorgd voor een terughoudend materiaalgebruik. De foyer wordt overheerst door de witte wandbekleding met kleine gaatjes, de trappen hebben glazen balustrades met houten leuningen gekregen en de zalen hebben consequent antracietgrijze wanden en plafonds en grijs-zilveren stoelen met een houten achterkant.

Opvallend aan het hele gebouw is de precieze detaillering die in tegenspraak lijkt met de reputatie van golfplaat. Zo zijn in de bioscoopzalen consequent alle verlichtingselementen, rookmelders en ventilatoren weggewerkt in de wanden en plafonds. “Ik wilde de rookmeldersterreur uitbannen”, zegt Van Velsen. “Ik wilde bescheiden maar perfecte zalen die in dienst staan van de film. Daarvoor moet je vechten. Het moeilijkst bij dit ontwerp was om wat je in je hoofd hebt ook gerealiseerd te krijgen. Bij een verbouwing, waar elke architect mee begint, is dit nog goed te doen, maar bij een groot gebouw valt het niet mee om alles, van de deuren tot de biertap, in de hand te houden. Bij grote gebouwen ontbreekt vaak de beheersing. Er zijn zoveel betrokkenen die allemaal iets anders willen.”

Met zijn megabioscoop heeft Van Velsen bewezen dat hij een groot gebouw aankan. Zijn multiplex is alleen te vergelijken met de Cineac van Johannes Duiker, de radicale filmvertoningsmachine uit de jaren dertig in de Amsterdamse Reguliersbreestraat. Binnenkort zal dit hoogtepunt van het Nieuwe Bouwen ophouden bioscoop te zijn en worden verbouwd tot restaurant van Sylvester Stallone's Planet Hollywood-keten, maar gelukkig wordt het gemis nu verzacht door Van Velsens nieuwe mijlpaal in de bioscooparchitectuur.