Drugsstrijd toont aan dat Nederland moet leren slikken

DEN HAAG, 29 MAART. Nederlandse ministers en staatssecretarissen lieten deze week geen dag voorbij gaan om de Franse regering te bekritiseren over haar opvatting ten aanzien van het Nederlandse drugsbeleid. Ons beleid terzake is het beste dat Europa voor handen heeft en inmenging in de binnenlandse politiek is onaanvaardbaar, zo luidde de boodschap uit Den Haag.

Sprak premier Kok zondag nog over de 'bezetenheid' van de Franse president Chirac als het om drugs gaat, vandaag willen hij en minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo op de Intergouvernementele Conferentie (IGC) van 15 EU lidstaten in Turijn een poging doen het nieuwste conflict met Frankrijk te deëscaleren.

In de Tweede Kamer gaan tegelijkertijd stemmen op om met een parlementaire delegatie naar Parijs en een aantal Noord-Franse steden te gaan om alles nog eens uit te leggen, maar ook om te luisteren en te bekijken hoe tussen Frankrijk en Nederland de samenwerking van politie en justitie verloopt.

Met de poging van vandaag wil de regering de weg openen om later dit jaar toch een drugsoverleg te hebben op een topontmoeting van de premiers van de Benelux, de Duitse bondskanselier en het Franse staatshoofd. Die bijeenkomst, voorzien voor 7 maart, werd afgelast omdat volgens premier Kok de Fransen eisen stelden die “een brug te ver waren” en strijdig met de Nederlandse soevereiniteit. “Het is altijd nog zo dat wij hier het beleid bepalen en niet de Fransen”, aldus Kok.

Maar minister Van Mierlo en ook premier Kok wilden wel toegeven dat op het terrein van overlast, handel en drugstoerisme Nederland tegenover de buurlanden een speciale verantwoordelijkheid heeft. Dat geldt ook voor die plekken in Nederland waar het buitenlandse bezoek wordt bediend. De nieuwe restrictieve bepalingen voor coffeeshops - vijf gram per transactie - moeten ook worden gecontroleerd, vinden zij.

Wat betreft de produktie en export van chemische drugs - Nederland is een van de grootste exporteurs van xtc-pillen - zullen volgens Van Mierlo snel maatregelen moeten worden genomen. Gezien het overstelpende aanbod vroeg een Belgische diplomaat zich onlangs af waarom Nederland er vroeger zo goed in slaagde keuterboertjes te arresteren die illegaal jenever stookten, maar dat de nieuwste laboratoria zo slecht worden opgespoord.

In Delft, bij de opening van de Nederland-Duitse conferentie, zei Van Mierlo vorige week: “We zullen er steeds meer aan moeten wennen dat binnen- en buitenlandse politiek naadloos in elkaar overlopen. Naadloos maar niet probleemloos. Hier verandert de functie van ministers van Buitenlandse Zaken. Zij staan op de overloop steeds vaker in de functie van masseur in dit proces.” Die omwentelingen in het nabuurschap gelden ook voor de betrekkingen tussen Nederland en Frankrijk. Van Mierlo en Kok slagen kennelijk nog niet in die rol van masseur.

Het paarse kabinet heeft bij zijn aantreden de buurlanden herontdekt. Dat gebeurde met zoveel aplomb dat een Belgische oud-minister zich afvroeg of de twee landen in de periode ervoor in oorlog verkeerden. Op het Elysée in Parijs werd bij kaarslicht gedineerd en er was tot voor kort telkens “veel begrip” na afloop van weer een bliksembezoek aan Parijs. De meer continentale oriëntatie van de buitenlandse politiek is belangrijk, omdat Nederland zich in de kopgroep van én EMU (Economische en Monetaire Unie) én de verdiepte en uitgebreide EU (Europese Unie) een plek wil bevechten.

In januari 1997 zal Nederland als voorzitter van de Europese Unie de herziening van het Verdrag van Maastricht tot een goed einde moeten brengen. Daarbij is de steun van grote landen als Duitsland en Frankrijk onontbeerlijk. De ambitieuze plannen van differentiatie in de EU leggen een nog grotere verplichting op aan de landen die zichzelf selecteren voor een kopgroep. Met Frankrijk werkt Nederland daarnaast samen in de Implementatiemacht voor Bosnië (IFOR). Als de Amerikanen daar deze herfst vertrekken, zullen de Europese landen, met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk voorop, misschien een reservemacht moeten aanhouden om het werk van IFOR na één jaar niet in gevaar te laten komen.

Het CDA heeft in een kort debat in de Kamer dinsdag de suggestie gedaan om premier Dehaene van België te laten bemiddelen in het Nederlands-Franse conflict. Volgens Buitenlandse Zaken moet er eerst gesondeerd worden wat er te bemiddelen valt en dan nog zou Nederland dat alleen af moeten kunnen. Naast politieke zijn er ook economische argumenten om in de relatie met Frankrijk de megafoons op te bergen.

Vorig jaar heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zich onderscheiden in diepgravende rapporten over het Nederlands buitenlands beleid. Daarin werd al gewaarschuwd voor situaties zoals deze. Nederland zal moeten leren slikken, stond in het hoofdrapport. De samensteller van het rapport, professor M. C. Brands, zei in een interview met deze krant: “Wij zullen ons in dat toekomstige Europa een eigen plaats moeten veroveren en met het verschaffen van irritatie lukt dat niet. Kiest de regering voor binnenlands beleid dat sterk afwijkt van de buurlanden, dan heeft dat consequenties voor die nauwere samenwerking. Verontwaardiging werkt dan niet, omdat we in de praktijk een keuze hebben gemaakt voor Duitsland en Frankrijk en met mokkend rondlopen bereik je in zo'n kopgroep niets.”