Don Johnson

Twee uur voor ik Mariëtte zou ontmoeten in de bar van hotel Treasure Island kocht ik een paar schoenen van slangeleer. Ik had zin me van top tot teen in slangeleer te hullen. Ik voelde me merkwaardig uitgelaten. Dat ik een groot gedeelte van mijn geld had verspeeld deed daar niets aan af, integendeel.

“Ik houd ze wel aan”, zei ik tegen de verkoper.

Zo kwam het dat ik twee uur lang door het casino liep met die schoenen van slangeleer. Het waren instappers, dus ik moest voorzichtig lopen, anders raakte ik ze kwijt. Ik droeg geen sokken. Ik voelde me Don Johnson. Ruim van tevoren was ik op de afgesproken plaats. Waarschijnlijk was het alleen verbeelding dat uit mijn schoenen van slangeleer de geur van tenenkaas kwam. De angst om te stinken is een universele, maar net als het geluk, de honger, de schoonheid en de rijkdom niet gelijkelijk verdeeld.

Een vrouw naast mij vertelde dat ze uit Hawaï kwam en na een tijdje zei ze: “Wil je me zien plassen kleine jood?”

Ik keek haar even aan.

“Graag,” zei ik, “maar vandaag niet. Ik voel me net Don Johnson.”

Ik kon me al die andere dagen herinneren en ik besefte hoe mooi en waardevol de dagen waren dat je je Don Johnson voelde. Kleine feestjes zou je van dat soort dagen moeten maken.

Ze leunde op mijn schouder. Ik kon haar adem voelen. “Je bent tien keer zo mooi als Don Johnson kleine jood,” zei ze.

“Is tien keer niet wat overdreven?” voeg ik.

Ze groette een man die voorbij liep. Hij had een grote ketting om. Toen fluisterde ze: “Kun je ergens anders gaan zitten Don Johnson?”

Ik zei dat ik op iemand wachtte, maar dat ik wel een kruk kon opschuiven.

Even later liep ze naar boven achter de man met de ketting aan, maar tien minuten daarna waren ze alweer terug.

“Dat heb je snel gedaan”, zei ik.

Ze deed lippenstift op en fluisterde: “De joden van Las Vegas houden van zwarte vrouwen. Houd jij ook van zwarte vrouwen?”

“Luister”, zei ik, “ik ben geen jood van Las Vegas en jij bent geen zwarte vrouw. En wat de joodse riten en zeden betreft, die zijn overal anders. Ik ben ook geen rabbijn.”

“Laten we ergens anders gaan zitten”, zei Mariëtte. Ik had haar niet zien aankomen. Ze zag er net zo uit als die middag, alleen had ze nu haar groene hoedje niet meer op.

Ik liep achter haar aan. Bij elke stap die ik zette maakten mijn schoenen een geluid alsof plaksel los laat. Ik hoopte maar dat ze het niet zou horen.

We stopten bij een cafetaria in een uithoek van het casino. Ze bestelde twee sinaasappelsap die ze in haar eentje opdronk. Ik dacht aan God, de grootste verhalenverteller in het universum en ik begreep dat Hij net als veel mensen een hekel heeft aan concurrentie.

“Het moet afgelopen zijn”, zei ze toen ze uitgedronken was.

Ik keek naar mijn Don Johnson-schoenen van slangeleer. “Wat doe je toch in deze stad?” vroeg ik.

“Ik ben op weg naar Hollywood”, zei ze.

Dit vrolijkte me op. Was ik zelf ook niet op weg naar Hollywood?

“Dat komt goed uit”, zei ik. “Mijn leven is één grote omweg naar Hollywood.”

Ze nam mijn kin in haar linkerhand. “Nee”, zei ze, “jouw leven laat zich in drie woorden samenvatten. Een grote vlucht. En ik wil er niet langer bij betrokken zijn. Op geen enkele manier. Dat geschrijf over mij moet afgelopen zijn.”

Toen liet ze mijn kin los. Ze had er nogal stevig in geknepen.

“Het is onschuldig”, fluisterde ik.

“Je hebt geschreven”, siste ze, “dat ik de mooiste vrouw van Amsterdam ben, maar wel met het hart van een koffiezetmachine.

“Nee nee”, riep ik, “het hart van een espresso-apparaat. Een koffiezetmachine heeft een heel ander hart dan een espresso-apparaat. Wie dat niet begrijpt heeft geen gevoel voor nuance. Bovendien, ik ben dol op espresso-apparaten, dus ook op hun harten.”

Ik keek naar mijn blote enkels.

“Ik ga vervelend worden”, zei ze.

Ik vroeg niet: “Hoe dan?”

Ik zei: “Je hebt gelijk. Het is merkwaardig waarom mensen pathetisch doen over hormonale kwesties. Als je ergens niet pathetisch over dient te doen zijn het wel de dood en hormonale kwesties. Dus geen hart meer van een espresso-apparaat. Als je dat tegenstaat. Het wordt tijd dat we eerlijk over onszelf gaan nadenken. Philip Roth heeft niet voor niets geleefd en geschreven. Je bent een wandelend hormoonpreparaat. Jouw aanbidders zijn wandelende hormoonpreparaten. Ze pakte mijn kin weer vast, wat het spreken moeilijker maakte, maar nu ik eenmaal begonnen was, kon ik niet meer stoppen. “Daar is niets mis mee. Ik ben ook een wandelend hormoonpreparaat. En Hollywood is bij uitstek de plek waar wandelende hormoonpreparaten tot bloei kunnen komen. Geloof me, het is helemal niet erg om een wandelend hormoonpreparaat te zijn. Ik spreek uit ervaring. Het besef veroorzaakt hooguit lichte melancholie.”

Dat ze mijn kaak nog niet had gebroken, was een wonder.

“Luister”, zei ik, “misschien kunnen we het in Hollywood wel maken als de twee wandelende hormoonpreparaten uit Nederland.”

Ze gaf me een klap waarbij mijn bril van mijn gezicht vloog, maar dat kon me allemaal niets meer schelen. Hetzelfde moment pakte ze mijn rechteroor, vouwde het dubbel en sleurde me op die manier het café uit.

“Mijn bril”, riep ik, terwijl ik gebogen achter haar aan liep, omdat dat de minst pijnlijke houding was.

“Die ligt er straks nog wel”, zei ze, “mijn vriend wil je graag ontmoeten.”

“Is hij ook een wandelend hormoonpreparaat?” vroeg ik nog.

Dat had ik beter niet kunnen doen.