De parelduiker

De Parelduiker, Stichting Oog in 't Zeil i.s.m. uitg. Bas Lubberhuizen. Jaarabonnement ƒ 69.50; losse nummers ƒ 16.50

Het verdwijnen van Oog in 't Zeil, tijdschrift in het bijzonder ter publicatie van historisch gemengd nieuws uit de letteren, was een moeilijk te verteren verlies. Daarom alleen al mogen we van voorverheuging in onze handen wrijven dat het vandaag, bij het verschijnen van eerste jaargang nummer 1 van het tijdschrift De Parelduiker wordt goedgemaakt. Het is, in andere lay-out, met een andere redactie hoewel daarin dezelfde begaafde parelduiker Thijs Wierema, weer even nieuwsgierigmakend als een verse krant.

Hoezo? Het komt, geloof ik, doordat je van het nog bereikbare vroeger niet genoeg te weten kunt komen. De schrijvers van toen, grote en kleine, degenen die vijftig, honderd jaar geleden de wereld van het woord in stand hielden, maken je nieuwsgieriger dan het doen en laten van je buren. Om eens een concreet voorbeeld te noemen: bijna op de hoek van het Oosterpark in Amsterdam staat het huis waar Albert Verwey heeft gewoond. Ik zou er wat voor over hebben als ik op een mooie late zomeravond daar, op de halte van lijn drie staand, de heren van De Nieuwe Gids na een redactievergadering naar buiten zag komen.

Ongeveer op deze manier was Oog in 't Zeil eigenlijk een sensationeel tijdschrift. Het gaf de onthullingen van vroeger vaak het extra-literaire, datgene wat misschien strikt genomen niet tot de literatuur hoort, maar dat de schrijvers zelf van een scherper signalement voorziet. Kortom, ze worden ook mens buiten hun boeken, en wij zijn nu eenmaal zo geprogrammeerd of geconditioneerd dat we dit graag willen weten.

In het eerste nummer van De Parelduiker staan vier brieven van Theo Thijssen aan de schrijfster Agnes Maas-Van der Moer. Die van 28 juli 1943 begint zo: 'De brief met de ingesloten rokertjes in goede orde ontvangen; hartelijk dank voor de tractatie'. En twee alinea's verder: 'Op dit moment gaat hier de luchtafweer tekeer, dat het huis ervan dreunt! We hebben de hele ochtend al zware luchtaanvallen; aan de overkant van het IJ zijn fabrieken geraakt, en helaas ook woningen daar in de nabijheid.' Daar zit de schrijver van Kees de jongen te pennen aan zijn weldoenster. Rokertjes, luchtafweer. Het kan aan mij liggen, maar op die manier wordt Theo Thijssen driedimensionaal.

Geert Lubberhuizen heeft op 7 februari 1966 een vraaggesprek met Simon Vestdijk, opgediept en van commentaar voorzien door Wim Wennekes. Kenners weten dat de duivelskunstenaar zijn romans schreef op een machine waaraan de t ontbrak. Het gesprek gaat over veel meer; ik citeer alleen de passage waarin dit gebrek ter sprake komt.

'Lubberhuizen: “Ja, je tikt het dus op een schrijfmachine zonder t's. Gaat daar nou niet erg veel tijd in zitten?”

Vestdijk: “Die t's, dat is een rotzooi zeg. Vooral de eerste drie hoofdstukken, of vier, die doe ik in duplo om dan wat materiaal voor Maatstaf te hebben, die geef ik dan die hoofdstukken. Dus dan moet ik twee keer al die t's doen, dat is verschrikkelijk.”

Lubberhuizen: “Maar heb je er dan nooit aan gedacht dat het, laten we zeggen, beter was om eens een nieuwe schrijfmachine aan te schaffen, dan altijd maar die t's in te vullen? Je kunt die tijd dan beter besteden.”

Vestdijk: “Ja, het was nog beter als die man die het gemaakt had, als die het goed gemaakt had, of als hij het nog zou maken maar dan goed.” 'Het gaat nog verder over de t maar voor een begin van duiding der gesprekspartners is dit voldoende. Spreekt in de tweede vraag de tussenzin, 'laten we zeggen', al geen boekdelen? We horen de uitgever. Een schrijfmachine zonder de t, zeker voor iemand die niets anders doet dan schrijven: dat is te gek om los te lopen. De tussenzin heeft twee functies: dient ten eerste om deze mening te temperen, en ten tweede om er een welgemeende goede raad aan te verbinden.

Dan blijkt het maar goed te zijn dat hij zo voorzichtig is geweest. De schrijver denkt er radicaal anders over. Het praktisch aspect speelt geen rol. Hier wordt de schuldvraag gesteld. De schrijfmachinemonteur is de oorzaak van de rotzooi en verschrikking. Dit zijn parels van bijzonderheden die maken dat dit eerste nummer al meteen zijn naam met recht draagt. Daarbij moet gezegd: het gaat in De Parelduiker niet alleen om onbekende zaken uit het leven der groten. Iedere letterkunde heeft schrijvers, dichters, boeken en tijdschriften die nooit het grote publiek hebben bereikt terwijl ze niet minder interessant zijn dan wie en wat 'groot' is geworden en het wel heeft gered. Hebt u ooit gehoord van de Franse baron d'Adelswärd-Fersen en zijn tijdschrift AKADEMOS? Zoniet, dan kan De Parelduiker dat probleem oplossen.

Uit de inleiding citeer ik tenslotte één zin: 'De redactie onthoudt zich hier van grote woorden.'

Godzijdank!