De gedaante van de dingen; Léon Spilliaert, een onheilspellend schilder

De Belg Léon Spilliaert hield van fantastische voorstellingen vol griezeleffecten. Maar op zijn best was hij als hij de werkelijkheid probeerde te schilderen. “Als geen ander wist Spilliaert ongrijpbare elementen als lucht, water en door water gereflecteerd maanlicht weer te geven.”

Léon Spilliaert. Museum van Schone Kunsten, Wapenplein, Oostende. T/m 26 mei. Dag. 10-18u. Catalogus ƒ 74,90. Van 30 juni tot 31 augustus is de tentoonstelling te zien in Museum Paleis Lange Voorhout in Den Haag.

De surrealistische kwaliteit van het land is ongeëvenaard. Zo zie je in het station van Antwerpen een uithangbord waarop de prijs voor het gebruik van het toilet in koerswaarden is aangegegeven: 'WC: België en Luxemburg 10 Fr; Nederland 60 cent; Frankrijk 2 Ffr; Duitsland 60 pfennig; Groot-Brittanië 30 pence; Italië 700 lire; Denemarken 2 kr; USA 40 cents, Zwitserland 0.50 fs - Gelieve vooraf te betalen.'

In de badplaats Oostende kan de reiziger 'sandwishes' eten in een als 'Taverne Tea-Room' aangeduid griezelkabinet, uitgevoerd in spaanplaat met eikennerf-opdruk, schimmelgroen nylon-pluche en bordeelrode wanden, waarop een foto van de in Oostende geboren Baron J. Ensor en een in olieverf vereeuwigde Fats Domino prijken.

De eveneens in Oostende geboren kunstenaar Léon Spilliaert (1881-1946) had een goed gevoel voor zowel de claustrofobische als de ruimtelijke en surrealistische aspecten van zijn directe omgeving. Spilliaert draaide zijn hand niet om voor verstilde, geabstraheerde zeegezichten noch voor voorstellingen van een hoektafeltje met een potje inkt en een sansevieria in een sierpot. In België wordt hij als een voorloper van de surrealisten gezien.

Op de overzichtstentoonstelling die nu in Oostende te zien is en daarna naar Den Haag reist, hangen 150 werken uit de periode 1900-1945. In Oostende worden Spilliaerts rijpe en groene kunstwerken in chronologische volgorde gepresenteerd. Het totaalbeeld is tamelijk verwarrend. Wandelend door de zalen trekken de meest uiteenlopende voorstellingen voorbij, variërend van zwanen, nonnen en parfumflessen tot konijnen, piëta's en luchtschepen. Op de bijschriften, kennelijk vervaardigd uit een vooroorlogs restantje buskaartjes-papier, zijn alleen de titels van de kunstwerken afgedrukt. Het jaartal en de techniek die bij Spilliaert nu juist zo belangrijk is, worden niet vermeld.

Spilliaert heeft nauwelijks in olieverf geschilderd. Hij werkte bij voorkeur in (kleur-)potlood, inkt, houtskool en pastelkrijt en in gemengde technieken. Spilliaert, die tussen 1899-1900 een blauwe maandag aan de kunstacademie van Brugge studeerde, wordt als een autodidact beschouwd. Opvallend is hoe Spilliaert als tekenaar schilderkunstige effecten weet te bereiken. Dat is vooral te zien in zijn haven- en zeegezichten, het hoogtepunt van zijn oeuvre. Het zijn strakke, lineaire composities waarin het licht en de ruimte atmosferisch worden weergegeven in de ragfijne streepjes van een pastelkrijtje.

Zwanehalsarmen

Spilliaerts artistieke achterland was het symbolisme. Hoewel hij voortdurend van onderwerp en stijl wisselde, getuigt zijn werk van begin tot eind van zijn verlangen om het onzichtbare zichtbaar te maken. In zijn vroegste symbolistische voorstellingen laat hij vrouwfiguren optreden die blijkens de titel Vertwijfeling, Misère of Het Leven en daarmee De Dood verbeelden. De jonge Spilliaert profileerde zich meteen al als een origineel type. Zijn opvatting van het symbolisme is ronduit bizar. Op een wit vlak doemen inktzwart gepenseelde vrouwfiguren op als geesten uit een fles. Ze nemen de gestalte aan van een hologige mannenverslindende bedspin of van een volledig geknakt menselijk wezen met pathetisch kronkelende zwanehalsarmen, snavelhanden en damesvoeten.

Spilliaert zocht zijn inspiratie niet in het werk van andere schilders, al herinneren sommige werken vaag aan de kunst van Jan Toorop, Redon, Munch of Maurice Denis. Zijn hang naar het fantastische werd vooral gevoed door schrijvers als Nietzsche, de ook door de surrealisten bewonderde Comte de Lautréamont, Edgar Alan Poe en zijn in Parijs wonende beschermheer, de symbolistische Belgische dichter Emile Verhaeren.

Al in zijn beginjaren schijnt Spilliaert niet goed te hebben geweten welke richting hij als kunstenaar in moest slaan. In 1904 schreef hij in een brief aan een jongere vrouwelijke collega: 'Waag je nooit, nooit aan schilderkunst vanuit de fantasie. Symbolisme, mysticisme enz. enz. Dat is allemaal verwarrend en ziekelijk. Al wat ik tot nog toe heb gemaakt, ik zou het allemaal willen vernietigen.'

Spilliaert had toen al aangetoond dat hij het in zijn werk helemaal niet van zijn buitensporige fantasieën hoefde te hebben. Zijn verstilde voorstelling van een simpel badhokje, in oostindische inkt en houtskool, dateert uit 1902. Het badhokje is maar gedeeltelijke zichtbaar en opgevat als een rechthoekje dat tevens als repoussoir dient. Daarachter zie je een verlaten strand en een vlakke zee terwijl de branding in enkele oplichtende, horizontale lijnen is weergegeven. Met minimale beeldende middelen roept Spilliaert de atmosfeer op van de immense ruimte waarin de nietigheid van een menselijk bouwsel als een badhokje bijna iets ontroerends heeft.

Spilliaert lijkt als kunstenaar altijd in conflict met zichzelf te zijn geweest. Hij was op zijn best in voorstellingen die aan de werkelijkheid zijn ontleend maar zijn hang naar het fantastische was minstens zo sterk. In het genoemde jaar 1904 komt Spilliaert ineens uit de bus met een meesterwerk in aquarel en pastel Het Restaurant. Hierin manifesteert hij zich als een Belgische Edward Hopper. Je ziet een lege zaal met uitsluitend nauwkeurig gerangschikte tafels, geflankeerd door Thonetstoelen. Midden in de zaal bevindt zich een langwerpige tafel waarop tot kegels gevouwen servetten in slagorde zijn opgesteld naast een legertje glazen. Spilliaert doseert de kleur met raffinement. De brandende kroonluchter en dito wandlampjes zijn wit en versterken, in combinatie met de witte tafelkleden, de sfeer van verblindende smetteloosheid. Het blauw van de wanden wordt weerkaatst door een grote, langwerpige spiegel terwijl het rood van de vloerbedekking terugkeert in drie op tafel geplaatste potplanten waaruit een paar rode stipjes omhoogkomen. Een legere, meer bevreemdende en benauwender aanblik kan een goedburgelijk restaurant niet bieden dan op deze voorstelling.

In een ander interieurstuk is het alleen maar het beeld van een geopende deur, getekend in houtskool, waarmee hij de dubbelzinnigheid van de zichtbare werkelijkheid trefzeker oproept. Enkele jaren later grijpt hij weer terug op voorstellingen met symbolistische griezeleffecten waarin hij dit keer zelf optreedt. In deze curieuze zelfportretten zie je Spilliaert in een al weer met spiegels en potplanten verluchtigd interieur. Op zijn haar en zijn gezicht valt een vreemd, wit licht dat ongetwijfeld zijn spirituele geest moet symboliseren. De kunstenaar, uitgerust met een hoge boord en duivelse puntoortjes, oogt hierdoor als een komische spookverschijning. Op een ander zelfportret zie je hem met een wegrottend oog in de spiegel kijken.

Nachtwandelaar

Er is eigenlijk maar één thema dat Léon Spilliaert vanaf 1900 tot zijn verhuizing naar Brussel in 1937, met een zekere regelmaat heeft opgepakt: de zee en de haven van Oostende. Spilliaert, die in de badplaats bekend stond als de 'eenzame nachtwandelaar', wist als geen ander ongrijpbare elementen als lucht, water en door water gereflecteerd (maan-)licht weer te geven. Hij sneed zijn onderwerp bovendien vanuit een ongewoon standpunt aan. Met boogvormige, krommende, golvende, rechte of diagonale lijnen verbeeldt hij de dijk of de pier die zich uitstrekt in zee of geeft hij de richting aan van de zeestromingen.

Golven of wolken zie je niet op Spilliaerts zeegezichten. Wat hij door middel van kleurige, verfijnde pastelkrijt-streepjes oproept is een raadselachtige, verstilde atmosfeer. Zijn voorstellingen van gebouwen met duistere poorten langs de nachtelijke kade zijn soms net zo onheilspellend als metafysische schilderijen van Giorgio De Chirico. Spilliaerts kijk op een stenen trap, vanaf de zijkant en vanuit een laag standpunt, leidt tot de monumentale compositie van een stapel traptreden, welke als halve draaischijven zijn opgevat en waarop een vrouw met wapperende rookpluimharen als op een étagère staat uitgestald. In de in Oostende gevestigde parfumeriezaak van zijn vader leerde Spilliaert al jong de kneepjes van een aantrekkelijke presentatie.

Spilliaert was te ongedurig om voort te borduren op zijn vaak zo geniale vondsten. Zijn critici benadrukken de wisselvallige kwaliteit van zijn kunst. Je kunt ook zeggen dat Spilliaert een kunstenaar was die deed waar hij zin in had, zonder zich om de continuïteit van zijn oeuvre te bekommeren.