De enige blanke speelde elk jaar Sinterklaas; Milde verhalen van Anil Ramdas

Anil Ramdas: De beroepsherinneraar en andere verhalen. Uitg. De Bezige Bij, 280 blz. Prijs ƒ 34,90

In het laatste deel van zijn bundel De beroepsherinneraar en andere verhalen beschrijft Anil Ramdas een ontmoeting met een jonge telg uit een Indiaas vorstengeslacht, Koning Katoch. Het moet een ontmoeting van uitersten zijn geweest. Ramdas, wiens voorouders in de negentiende eeuw als goedkope arbeidskrachten uit India naar Suriname kwamen, is naar de voet van de Himalaya gereisd, waar hij in het voormalige koninklijk paleis aan de verbouwereerde stamhouder van het eeuwenoude koningsgeslacht probeert uit te leggen dat je voorouders er niet toe doen. Je bestemming, is zijn stelling, is belangrijker dan je afkomst.

Karakteristiek voor Ramdas is dat hij zijn mening nog niet verkondigd heeft, of hij wordt door twijfel bekropen. En het aardige is dat de lezer daarin meteen mag delen. Terwijl hij nog zelfverzekerd aan het woord is, moet hij al de neiging hebben gekregen zichzelf te relativeren. Net als de Indiër heeft hij een paar dagen eerder een antiek sieraad gekocht, en hij heeft ontdekt dat hun motieven misschien wel hetzelfde zijn geweest. Bij beiden roept het sieraad herinneringen op aan hun grootmoeder.

Het verschil, denkt Ramdas, is misschien dat de vorst zijn aankoop heeft gedaan om zijn plek in de geschiedenis te verdedigen, terwijl hij het alleen maar voor 'de aardigheid' deed. Maar hij gelooft het zelf niet. Haastig voegt hij aan zijn conclusie de woordjes 'dacht ik' toe. Hij wil tegenover de lezer de mogelijkheid open houden dat hij meer aan zijn verleden hecht dan hij tegenover de Indiër wil toegeven. Naar buiten toe verdedigt hij nog altijd zijn geloof in de vrijheid van de mens om, binnen bepaalde grenzen, te kiezen wie hij worden zal, maar hij wil niet uitsluiten dat hij toch meer op zijn afkomst steunt dan hij zuiver rationeel wenselijk acht.

Het is een slot dat tekenend is voor De beroepsherinneraar. In vijf delen die telkens rondom een ander motief cirkelen, schetst Ramdas op een levendige, onbevangen manier de moeilijk te duiden ervaringen die hij heeft opgedaan tijdens zijn speurtocht naar de betekenis van begrippen als cultuur en identiteit. Het is een gevarieerd verslag geworden, waarin hij zichzelf niet spaart.

Het boek begint met herinneringen aan een jeugd in de Hindoestaanse gemeenschap van Suriname, waar de enige blanke elk jaar Sinterklaas moest spelen. Er zijn verhalen over Ramdas' komst als nationalistisch student naar Nederland, zijn leven in een studentenhuis, zijn verhuizingen, en het eindigt met zijn belevenissen in Turkije, Afrika en India.

Ramdas lijkt te willen achterhalen hoe en in hoeverre we worden beperkt door onze geschiedenis en die van onze voorouders - en wat we daar tegen kunnen doen. Om dat uit te vinden beschrijft hij verschillende gevallen van migratie in zijn eigen familie en in die van anderen om hem heen. Onvermijdelijk komt daarmee het motief van het kolonialisme het boek binnen. Ramdas is daarover redelijk mild. Hij ziet het niet alleen als een (on)ethisch en economisch verschijnsel, maar ook als niet te negeren achtergrond die de onderlinge verhoudingen van bijna iedereen in zijn omgeving op dit moment kleurt. Dat het kolonialisme er was, is belangrijker dan wat het was.

Wat cultuur nu precies is, en wat een mens bepaalt, wordt ondertussen niet veel duidelijker. Telkens als Ramdas denkt te weten hoe het zit, wijkt het perspectief. Zijn boek wordt zo een aangename opeenvolging van nuanceringen en tegenstrijdige emoties zonder dat hij tot conclusies komt. Ramdas vergelijkt zijn schrijven met het werk van een jongleur. 'En nu weet ik het niet meer,' besluit hij een van zijn eerste stukken. 'Ik kan kennelijk alleen een mening verzinnen (-) zolang ik me niets van de mensen om wie het gaat aantrek. En dan heb ik liever geen mening.'

Over het geheel toont Ramdas zich in de loop van zijn bundel een gematigd optimist. In de verre toekomst ziet hij misschien nog wel eens een kosmopolitische cultuur dagen waarin de herinnering aan migratie en kolonialisme geen rol meer speelt. Maar voorlopig is die toekomst heel ver weg. Veelzeggend is in dit verband het stuk 'Multi-Culti!', eerder gepubliceerd in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant, waarin hij zich tegen het al te hartelijk koesteren van migranten door Nederlanders keert. Ook hierin is het belangrijkste dat hij bepleit een relativering. Voor een uitgesproken eigen visie op de toekomst is het Ramdas kennelijk nog altijd te vroeg - of, wat hem betreft, misschien ook wel te laat. Toen hij in 1977 uit Suriname naar Nederland kwam, schrijft Ramdas, dacht hij nog hier de voorafschaduwing van zo'n nieuwe moderne samenleving te vinden, tegengesteld aan de patriarchale, autoritaire en vrouwonvriendelijke tradities waarin hij opgroeide. 'Ik leerde mezelf aan om moeiteloos twee, drie werkelijkheden in de lucht te houden en voelde me een wereldser en weldenkender mens dan degenen die thuis waren gebleven en zich op een instinctieve manier op hun gemak voelden.' Maar dit ideaal heeft hij sindsdien moeten loslaten. Hij heeft gekozen voor een rustig bestaan in een Nederlands dorp, om daar te kunnen wortelschieten. De eigen identiteit, wat dat ook is, is opgegeven. Er voor in de plaats is de integratie gekomen, in een kleine gemeenschap die zich niets van welk kosmopolitisch ideaal dan ook aantrekt. Ramdas wil Nederlander tussen de Nederlanders zijn.

Wat hem sindsdien rest is op reis gaan, om te zien hoe anderen zich uit het dilemma hebben gered. Ramdas vertelt in de tweede helft van zijn boek voornamelijk over mensen in andere delen van de wereld die, net als hij, door migratie en kolonialisme zijn beïnvloed. Dat levert een aantal mooie stukken op, waarin Ramdas zich ook de essayistische verhalenverteller betoont die hij wil zijn.

In zijn openingsstuk schrijft Ramdas dat hij als 'beroepsherinneraar' naar een combinatie van 'betrouwbaarheid' en 'ambachtelijkheid' streeft. Hij wil geen romancier zijn, een man die de hele dag binnen blijft en zijn ervaringen tot fijnzinnige fictie vervormt. Aan de andere kant wil hij zich onderscheiden van de historicus, die alleen maar de archieven uitpluist en cijfers verzamelt. Hij wil het beste van beide vakken in zich verenigen.

Dat is hem goed gelukt. Ramdas heeft zich grondig in zijn onderwerp verdiept en geeft zijn verhalen tegelijkertijd een emotionele betrokkenheid mee, waardoor ze ver boven de gewone historische of sociologische beschouwing uitkomen. Hij schrijft essays in de beste betekenis van het woord.

UIT: ANIL RAMDAS, DE BEROEPSHERINNERAAR EN ANDERE VERHALEN

Wat ik mis in Holland is een geestesgesteldheid: de zucht naar avontuur, het willen omgaan met het nieuwe, het gevaarlijke en het ondeugende. De kinderlijke eerlijkheid, de naïeve spontaniteit, het roekeloos stoeien met emoties. De niet-wederkerige en haast zinloze, maar bloedbroederlijke vriendschap. Het enthousiasme, de dadendrang die niet gebaseerd is op kennis of vooruitziendheid, maar op ongegronde vermoedens, onrijpe intuïties, wilde fantasieën, en gigantische luchtkastelen.

Wat ik in deze doelmatige rationaliteit mis, is onbezonnen romantiek. Soul. De romantiek van de jeugd. Ja, zo zou je het misschien kunnen zeggen: wat ik mis, in Holland, is jeugd - de mijne, om mee te beginnen.