Colosseum

In Rome is het druk. Auto's, bussen en trams verdringen elkaar in de straten. Het lawaai galmt tegen de gevels van de huizen. Midden in de stad staat het Colosseum, een kolossaal gebouw uit het jaar 72. Daar is het stil. De ingangen naar de ronde arena zijn afgesloten. Misschien wordt het Colosseum opgeknapt. Of misschien waren ze bang dat er brokstukken naar beneden zouden vallen. Om er zo dicht mogelijk bij te komen, drukten de mensen hun gezicht tegen de tralies.

Ooit was het Colosseum een theater, waar voor 50:000 mensen plaats was. Ze zaten op hoge, steile tribunes, die goed zicht boden op de arena. Gladiatoren, gewapend met zwaarden, vochten tegen elkaar of tegen wilde dieren. In de kelders onder het gebouw zaten ze opgesloten, tot ze via een vernuftig stelsel van gangen en liften in de arena werden gebracht. Het zand stoof er in het rond, terwijl er werd gevochten op leven en dood. Ooit klonken hier de kreten van de zwaardvechters en het brullen van de leeuwen.

Opeens is er een poes. Ze strijkt met haar kopje langs mijn been. En ze slipt soepel door de tralies heen. Parmantig, de staart fier omhoog, loopt ze het Colosseum in. Helemaal alleen is ze. Ons laat ze achter, met onze neuzen tegen het hek.

Het kan geen toeval zijn. Deze poes wil publiek. Na een tijdje kijkt ze eens om. Ze laat een triomfantelijk miauw! horen. Ooit brulden hier de leeuwen. Nu is het Colosseum van haar. Ze heeft Rome aan haar zachte kussentjes. Dan landt er een vogeltje midden in de arena. De poes duikt ineen, oren in de nek. Even schudt ze met haar achterwerk. Ze springt op, en weg is ze, de vogel achterna. De voorstelling is voorbij.