Charon neemt mee wie hij wil

In juni 1982 luisterde ik enige dagen naar Konstantinos Lardas. Op het Griekse eiland Aegina waar ik fysiek, intellectueel, emotioneel ver boven mijn stand leefde.

Een elleboogstok aan de linkerzijde, de schouder van mijn vrouw aan de rechterzijde. Ik scharrelde langs de prachtige kade naar een terras voor uitzicht, voedsel, drank en gesprek. In talen die ik niet beheerste, over onderwerpen waarvan ik niets wist. Amerikaanse universiteiten, gezondheid van onbekenden, Griekse angst voor het boze oog, huwelijksleven van een Schotse dronkaard, tragische dood van een Franstalige Zwitser die ik eens een verhaal had horen voorlezen. Engels, Duits, Frans, woordjes Grieks. Licht, hitte, wijn, verkeerslawaai en de zee, en de bergprofielen achter de zee, ik was er te moe voor.

Amerikaanse vrienden, op het eiland woonachtig, kregen Konstantinos Lardas op bezoek, en lieten mij kennis maken. Een innemende man halverwege de vijftig, donker van teint, zwart van hoofdhaar en snor, klein, een Griek om te zien. Een Amerikaan van Griekse ouders, tweetalig opgevoed, die vergelijkende literatuurwetenschap en 'creative writing' doceerde aan een universiteit in New York. Hij was in Griekenland om in bibliotheken de folklore van rouwzangen te bestuderen.

Als ik terugdenk is er rust. Onzin. We zaten op dezelfde terrassen, in dezelfde wijnkroeg, in dezelfde hitte, in hetzelfde licht, in dezelfde godsherrie naar dezelfde boten en dezelfde zonsondergangen te kijken. De rust kwam door zijn betoog, bescheiden voorgedragen, met de helderheid van een docent en de ontroering van een dichter. Hij gaf mij fotokopieën van zijn vertalingen die ik in mijn hotelkamer bijna wenende las, en dat kwam, dacht ik, door mijn overspanning.

Twee of drie keer een weekeinde met college over Griekse rouwzangen. Tien jaar later verscheen het magnum opus waaraan Konstantinos Lardas ('Gus' in Amerika, 'Kosta' in Griekenland) toen werkte en ik kocht het gretig: Mourning Songs of Greek Women. Translated and with an Introduction by Konstantinos Lardas. Garland Publishing Inc., New York & London. Een boek van 343 bladzijden met 1120 gedichten.

Heeft het boek wetenschappelijke kwaliteit? Lardas ontleende zijn materiaal aan 173 boeken over Griekse folklore, verzon een rubricering. Hij wilde Engelse poëzie maken van de liederen die dus ooit ergens aan sterfbedden werden gezongen of geschreeuwd door in het zwart geklede vrouwen. Ik kan geen oordeel hebben, maar ik leefde dagen- en nachtenlang in deze Onderwereld, deze spookwereld.

Charon is hier niet de veerman, hij is de dood zelf, een zwarte man op een zwart paard. Hij woont, soms, in de klassieke Hades. Hij heeft, soms, een moeder die hem probeert te weerhouden van zijn rooftochten. Hij heeft, soms, een vrouw, soms een zoon en een dochter. Hij is dus zeer aards. Aards, zo men wil 'heidens' is de hele folklore. Geen straf en beloning, geen hel en hemel, geen ondeugd en deugd, geen genade. Charon springt op zijn zwarte paard en neemt mee wie hij mee wil nemen, zonder erbarmen, de helden, de vrouwen, de bruiden, de kinderen. Bij voorkeur in het avonduur, als de wind is gaan liggen. De doden worden naar de Hades gebracht of te werk gesteld in Charons huishouden of opgegeten door slangen en door de zwarte aarde zelf.

Er zijn in deze gedichten van verschrikking zoveel herhalingen en variaties dat de lectuur een koortsdroom lijkt waarin beelden in en uit elkaar schuiven, thema's in de war raken, verhalen steeds opnieuw anders worden verteld. In die gruwelwereld weten de doden, soms, dat het leven bovenaards doorgaat en dat ze niet eens gemist worden.

In het felle licht van Aegina las ik voor het eerst deze poëzie van lichteloosheid en dacht dat ik overspannen was. Rustig thuis in ons zwakke licht werd ik weer geschokt, niet overspannen. Ik weet niet hoe gehoorzaam aan het origineel Lardas' vertaling is. Ik bied hierbij de vertaling van een vertaling. Om een indruk te geven. Als Charon mij niet bij de haren grijpt hervat ik deze uiteenzetting. Vannacht, toen ik langs de deur

kwam van de grote Charon, hoorde ik hem twisten met zijn

gade. De jongen, die je me hebt gebracht

Charon, is onzinnig verwend. Hij wil niet eten tenzij wij hem op

dienen op gouden schalen, hij wil niet drinken tenzij wij het water

in een glas schenken, en hij wil zelfs niet bij ons zitten tenzij wij een kleed op tafel leggen.

Hou je mond, domme gade

ik leer hem wel hoe hij kan eten en

drinken zonder mooie schalen, zonder

kristallen glazen, zonder kleed op tafel.

Ik leer hem wel hoe hij het stof moet

proeven, ik leer hem wel hoe hij alle as van de

aarde moet eten, ik leer hem wel hoe hij het gif moet

drinken dat van de steen sijpelt die hem

bedekt.