Academische ongein

In de volksmond, die nooit erg kies is geweest, heet het Amsterdamse Ajax de jodenclub - waarschijnlijk omdat vader en zoon Van Praag jarenlang het voorzitterschap van die voetbalclub hebben bekleed en er eens een speler was die de naam Israel droeg. Tegenstanders van Ajax schuwen dan ook op de tribune niet zich te buiten te gaan aan anti- joods gebrul.

Zondag werd een nietsvermoedend publiek er getuige, zo niet het slachtoffer, van. Op het station Amsterdam-Zuid/WTC had de ME de grootste moeite duizenden aanhangers van Feyenoord te scheiden van onschuldige reizigers, die, omdat ze voor Amsterdammers werden gehouden, vijandig werden bejegend. Nu luidde de massale kreet: 'En masse, joden aan het gas.'

Moet dit antisemitisme worden genoemd? Waarschijnlijk kent het tuig van de richel dat zich hier uitleefde, dat woord niet eens. Het was erop uit te provoceren, en daartoe lenen racistische opmerkingen zich wonderwel. Ondervraagd - maar de politie verrichte geen arrestaties, zij wilde dat schorriemorrie alleen maar zo gauw mogelijk Amsterdam uit krijgen - zouden de Feyenoorders ongetwijfeld zich beroepen hebben op een 'geintje'.

Maar we moeten niet denken dat zulke uitspattingen en zulke laffe excuses alleen in dit soort kringen voorkomen. Ook de academische blijft er niet van verschoond, zoals we onlangs in de Groninger Universiteitskrant hebben kunnen lezen. Zeker, de taal is beschaafder, maar ook de mentaliteit?

In december van het vorige jaar was er aan die universiteit een forumdiscussie ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van het Studium Generale. Twee sprekers waren gevraagd 'op een uitdagende manier stelling te nemen over de categorieen 'specialist vs generalist''. Die sprekers waren Lolle Nauta, emeritus hoogleraar wijsbegeerte, en Hans Wijnberg, idem organische chemie.

Het is mij hier niet om te doen hoe die discussie is verlopen en welke standpunten door de twee sprekers werden verdedigd. Het gaat mij om een stukje dat een zekere Ron van Zonneveld, die taalkundige schijnt te zijn, wijdde aan die discussie in de Universiteitskrant.

Zijn sympathie gaat duidelijk uit naar de 'bewogen stellingname' van Nauta en niet naar de 'reactionaire statements' van zijn opponent. Dat is zijn goed recht. Het is zelfs zijn goed recht te vinden dat Wijnberg zelfingenomen en dus stijlloos was, hoewel hij deze kwalificatie niet met citaten staaft.

Maar rechtvaardigt dit de kop boven zijn stukje: 'Kill Wijnberg'? Die kop verklaart hij aldus: 'Aan tafel, eerder die avond, vertelde Hans niet zonder trots dat hij de enige wetenschapper in Groningen was die het tot een leus op de muren heeft gebracht: KILL WIJNBERG. Ik vroeg hem waarom die communisten deze aansporing in de wind hadden geslagen; hij moet toch een gemakkelijk doelwit geweest zijn voor al dat CPN-gespuis. Hij had geen idee. Mijn suggestie dat de leus niet serieus bedoeld was, wees hij af.'

Nu, Wijnberg was not amused door dit stukje. Hij schakelde zelfs een advocaat in, en die schreef in een volgend nummer van de Universiteitskrant: 'In de jaren zeventig verscheen de kreet 'kill Wijnberg' op een muur hier in de stad. Anoniem uiteraard, zodat over de ernst van de bedreiging slechts gespeculeerd kan worden. De heer Wijnberg was geschokt. Hij is van joodse afkomst. Zijn familie is in de Tweede Wereldoorlog vrijwel geheel uitgemoord. Dat dezelfde leus nu weer in vette letters in de UK staat boven een artikel waarin zijn ideeen worden bestreden, is voor hem, ongeacht de context, onaanvaardbaar.'

Maar nu het antwoord van Van Zonneveld: 'De kop boven mijn stukje over Wijnberg blijkt een onvermoede en dus onbedoelde lading te bevatten, terwijl ik er zelfs nog geen losse flodder in had gezien. Een ongelukkige kop dus.'

Een royaler excuus is denkbaar. Nu komt het neer op het laffe 'geintje' waarmee minder geletterden, indien betrapt, onaanvaardbaar optreden proberen te verontschuldigen. In hoeverre verschilt Van Zonneveld in wezen van die Feyenoord-supporters, de droesem der natie? Maar ja, hij is kennelijk progressief, en daarom zal hem veel vergeven worden. Niettemin zou het professor Nauta, overigens ook een relict uit een progressief tijdperk, sieren als hij afstand nam van zijn supporter. Over de geletterdheid van de taalkundige Van Zonneveld kunnen we overigens van mening verschillen. Hij schrijft: Simplex sigilum (met een l!) veri; en: en plein publique, terwijl dat ...public behoort te zijn.

Maar ja, wat kun je verwachten op een universiteit die een twintig jaar geleden een leerstoel in Oosteuropese filosofie instelde, terwijl zo'n filosofie helemaal niet bestaat? Bedoeld was natuurlijk: marxistische filosofie, die toen in de mode was, maar dat durfden ze niet te zeggen. Ook laf.

SYMPATHIE VOOR MUSSOLINI

Onder die kop publiceerde ik hier op 15 maart een artikel, in het slot waarvan ik schreef dat het interessant zou zijn om, in navolging van een Duitse studie waarvan ik zojuist kennis had genomen, ook bij ons eens de burgelijke kranten en tijdschriften tussen 1922 en 1933 (jaren van resp. Mussolini's en Hitlers machtsovername) door te werken op hun eventuele sympathie voor de Italiaanse dictator en zijn fascisme.

Dit is al gebeurd, zoals mij bleek uit twee publicaties die mij sindsdien zijn toegestuurd; 'Het Italiaans fascisme in de Nederlandse pers in de jaren twintig' van M. van der Linde en R. Bohm (1983) en 'In het land van Mussolini': de Nederlandse pers en fascistisch Italie; van F. van Vree (1991).

Het resultaat van hun onderzoek? Inderdaad was er, ook in de burgerlijke pers, in de jaren twintig sprake van enige bewondering (met nuances van krant tot krant) voor de man die orde op zaken had gesteld in dat verre, chaotische Italie. In de katholieke pers was die bewondering zelfs groot.

Een kentering ontstond toen, na 1933, ook in de confessionele pers de ogen opengingen voor de kerkpolitiek van de nazi's. Dat had ook zijn weerslag op de houding tegenover Italie. De Italiaanse aanval op Abessinie in 1935 voltooide dit proces. Daarna waren er nog maar weinig lofzangen op Mussolini in de Nederlandse pers te vinden.

Ook bereikte mij een brief van dr. Charles Vergeer naar aanleiding van wat ik geschreven had over Sigmund Freud, die een opdracht aan Mussolini had geschreven in een exemplaar van zijn boek Warum Krieg? Abusievelijk had ik geschreven dat hij het boek aan Mussolini had opgedragen.

De opdracht heb ik blijkbaar, afgaand op wat ik in een Duitse krant had gelezen, ook verkeerd weergegeven. Volgens dr. Vergeer luidt zij: 'Benito Mussolini mit dem ergebenen Gruss eines alten Mannes, der im Machthaber den kulturheros erkennt'. Zowel de keuze van het boek als de opdracht zelf (die de sterke man negeert en in hem slechts de man erkent die iets voor de cultuur doet) acht dr. Vergeer subtiel en veelbetekenend.