Wonderkind of total loss

Als een leraar veel onvoldoendes haalt bij de eindexamens of liever gezegd als de leerlingen van een bepaalde leraar dat doen, dan krijgt die leraar last met de schoolleiding. Als een school veel onvoldoendes haalt bij de eindexamens, dan krijgt die school last met het schoolbestuur. Als het schoolbestuur daar niets aan doet, dan krijgt het last met de ouders. Maar als voor een bepaald vak in het hele land bijna alleen maar onvoldoendes worden gehaald, dan deugt er kennelijk iets niet aan de opgaven. Negentig procent onvoldoendes voor een vak, dat kan niet de schuld van de scholen of de kinderen zijn, maar moet aan de opgaven liggen. Dus worden dan de normen bijgesteld.

Aan de universiteiten gaat het anders. Vrijwel niemand haalt de propedeuse in één jaar, maar dat geeft niet, want je mag er twee jaar over doen. De hele studie is berekend op vier jaar. Ook dat halen maar weinigen, maar ook dat geeft niet, want je mag er zes jaar over doen. Althans zo was het tot voor kort. En dat deed iedereen dan ook. Een student zei niet na vier jaar: “Ik heb het jammer genoeg niet in vier jaar gehaald”. Nee, hij zei: “Ik heb nog twee jaar tegoed”.

Hoe zit het met de daarop volgende fase, de promotie? Vroeger was dat een zaak van ieder voor zich en God voor ons allen. Wie afstudeerde, was 'toegelaten tot de promotie'. Hoe men dat recht realiseerde, was een zaak van de betrokkenen. Tegenwoordig heb je het AIO-stelsel. Je kunt solliciteren naar een plaats van assistent-in-opleiding en dan krijg je vier jaar geld (salaris of een beurs) om een proefschrift te schrijven. Je zou denken dat het niet mooier kan: voltijds betaald promoveren. Maar het systeem werkt toch niet tot ieders genoegen. De AIO's zijn ontevreden over hun positie. Zij vinden hun arbeidsomstandigheden slecht geregeld en hun salaris laag. Dat is misschien ook wel zo, maar als je het als een beurs ziet, is het zo slecht nog niet.

Groter reden tot zorg is te vinden in de resultaten van het stelsel. Er zijn twee problemen en tussen deze beide bestaat verband. Het eerste probleem is dat de AIO's lang niet altijd werk vinden en dan ook nog vaak niet in het vak waarvoor zij eigenlijk zijn opgeleid, dat van beoefenaar van de wetenschap. Het tweede probleem is dat de AIO's, net als de studenten, zelden op tijd klaar komen. De aanstelling van AIO's is voor vier jaar, maar daarna krijgen ze nog enige tijd wachtgeld. Als de banen voor gepromoveerden voor het opscheppen lagen en er geen wachtgelden bestonden, zouden zij er waarschijnlijk krachtiger naar streven in vier jaar tijd klaar te zijn. Nu die prikkels ontbreken, is het daarentegen verstandiger wat meer tijd te nemen in de hoop zo een dikker en hopelijk ook een beter proefschrift te schrijven. Er wordt immers tegenwoordig gepromoveerd bij het leven en je moet heel wat doen om op te vallen.

Dit is voor alle betrokkenen een onbevredigende situatie en er zullen zowel door de AIO's als door de promotoren fouten en vergissingen worden gemaakt. Eén ding is echter zeker: als drieënnegentig (93!) procent van de AIO's niet in de daarvoor uitgetrokken vier jaar promoveert - en dat is sinds jaar en dag het geval - dan kan dat niet de schuld zijn van de AIO's of de promotoren, maar moet het aan iets anders liggen. Net zoals het niet aan de leerlingen of leraren kan liggen, als jaar in jaar uit drieënnegentig procent van de leerlingen zakt voor het eindexamen.

Dit is zo eenvoudig dat zelfs een kind het kan begrijpen, maar wie het kennelijk niet begrijpt, is het politiek en economisch wonderkind Rick van der Ploeg. Deze geleerde is Tweede Kamerlid voor de PvdA en hoogleraar aan de economische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft zijn ideeën over dit onderwerp enige tijd geleden in een artikel in de Volkskrant ontvouwd (13 januari). De analyse van Van der Ploeg is een wonderlijke en zijn beschrijving een verbazingwekkende. Het is volgens hem allemaal de schuld van de hoogleraren. Van der Ploeg signaleert een “gebrekkige begeleiding”. De promovendi zijn “vastgekluisterd aan een hoogleraar”. Zij mogen zelfs geen advies inwinnen bij andere onderzoekers, want dan gaan de promotoren “sputteren”. Wel moeten zij “de vervelende, saaie onderzoek-, onderwijs- en kopieerklusjes van de hoogleraar” opknappen.

Over die hoogleraren, zijn collegae dus, heeft Van der Ploeg ook verder niet veel goeds te melden. Er zijn er bij die “nog nooit een letter op papier” hebben gezet, laat staan iets 'baanbrekends'. Toch krijgen ze allemaal automatisch twee AIO-plaatsen. Zij maken daarvoor vervolgens een onderzoeksplan, waarna “de promovendus dit plan braaf moet uitwerken”. Ik moet zeggen dat ik, na dit gelezen te hebben, begreep dat iemand nog liever Kamerlid voor de PvdA is dan hoogleraar aan de economische faculteit van Amsterdam. Maar ik moet ook zeggen dat ik nog nooit een geleerde heb ontmoet die op grond van zulke beperkte en eigenaardige ervaringen, tot dergelijke krasse generalisaties durft te komen en daarvoor ook nog publieke aandacht wil vragen.

Laat ik er mijn eigen, ook beperkte maar toch wat langduriger, ervaring tegenover stellen en verklaren dat ik aan mijn faculteit, de Leidse faculteit der letteren, geen enkele hoogleraar ken die 'nog nooit een letter op papier' heeft gezet, evenmin een die 'sputtert' als een AIO andermans advies vraagt en al helemaal geen die automatisch twee AIO-plaatsen krijgt toegewezen. Evenmin ken ik AIO's die niets anders doen dan andermans onderzoeksplan 'braaf uitwerken'. Integendeel, AIO's concurreren om slechts enkele beschikbare plaatsen, zoeken als promotor wie zij willen en maken in overleg met deze hun eigen onderzoeksplan. En zij mogen advies vragen aan wie zij willen, zonder dat er ook maar iemand gaat 'sputteren'. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er geen problemen zijn en evenmin dat alle AIO's in vier jaar tijd promoveren. Maar dat is een gevolg van de omstandigheden die ik hierboven aanduidde en niet van de beschamende praktijken die Van der Ploeg schetst. Als zijn faculteit werkt, zoals hij het beschrijft, is er reden voor een onderzoek. Als dat niet zo is, is er reden voor een woord van excuus aan zijn collegae.