Waan van de dag leidt af van bezinning op toekomst EU; Europolitiek is nu kwestie van drugs en gekke koeien

De leiders van de EU-lidstaten komen morgen in Turijn bijeen om te praten hoe het verder moet met de Europese samenwerking. De snelheid waarmee in Brussel is gereageerd op de gekke-koeienziekte in Engeland kan volgens Wim Brummelman model staan. Maar de kans dat Brussel ook op andere terreinen dan de landbouw meer te zeggen krijgt, is vooralsnog niet zo groot. Nederland zit immers ook zelf niet te wachten op een drugsbeleid dat op de leest van de Franse president Chirac is geschoeid en dat Nederlands 'eigen' aanpak onderuit haalt.

Een vooraanstaande diplomaat in Brussel voorzag het vorige week al, vlak na het uitbreken van de commotie over de gekke-koeienziekte BSE in Groot-Brittannië: “Dit is niet louter een Brits probleem, dit treft ons allen”.

Hoezeer het Britse probleem is uitgegroeid tot een Europees probleem is, zal morgen vermoedelijk duidelijk worden als de regeringsleiders van de vijftien lidstaten van de Europese Unie in Turijn bijeenkomen om de aftrap te verrichten voor de zogeheten Intergouvernementele conferentie (IGC) over herziening van het Verdrag van Maastricht. Turijn zal mogelijk voor een belangrijk deel in het teken komen te staan van de 'gekke koeien', daarmee de aandacht afleidend van de echte inzet van de IGC, namelijk een fundamentele bezinning over het 'hoe en waarom' van de Europese samenwerking.

Voor de institutionele fijnproevers in Europa mag die steeds terugkerende fascinatie voor de waan van de dag nogal teleurstellend zijn, het zou natuurlijk helemaal van de gekke zijn indien in Turijn niet over de gekke-koeienziekte zou worden gesproken. Het volledige uitvoerverbod voor rundvlees en de dreigende vernietiging van een groot deel van de veestapel slaat grote littekens, economische èn emotionele, in het Verenigd Koninkrijk. Een land in dergelijke kommervolle omstandigheden in de kou laten staan, is volstrekt ondenkbaar - hoe recalcitrant en irritant ook de Britten zich vaak gedragen het Europese klasje. Als dat zou gebeuren, hoeft niemand meer een cent te geven voor Europese solidariteit of voor een echt gemeenschappelijk landbouwbeleid (nog steeds goed voor meer dan de helft van de totale EU-begroting).

In Turijn, of misschien al eerder vanuit Brussel, mag de Britse premier Major dus rekenen op (financiële) steuntoezeggingen van de Europese Unie. Daarbij moet evenwel helder zijn dat die helpende hand wordt uitgereikt in naam van de Europese solidariteit en niet als een soort morele schadevergoeding voor het Europese optreden in de afgelopen dagen tegenover de Britten.

Conservatieve parlementsleden zijn er als de kippen bij om hun giftige pijlen opnieuw op het continent te richten. De Europeanen zouden met hun uitvoerverbod het Verenigd Koninkrijk willen straffen voor de eigenzinnige Britse houding, ze zouden in hun vuistje lachen om zoveel Brits leed en ze zouden slechts hebben gehandeld om eigen voordeel te halen. Zelfs de Britse regering zingt mee in dit koor door de in Brussel aangekondigde maatregelen te karakteriseren als “onrechtvaardig”, “onnodig” en “belachelijk”.

Nergens in het EU-verdrag staat dat lidstaten dit soort emotionele verwijten niet mogen uiten. En er is ook geen EU-regel die Major verbiedt om zijn invloed aan te wenden teneinde opgestelde adviezen (zoals afgelopen maandag van het Permanent Veterinair Comité) achteraf gewijzigd te krijgen.

Dat alles neemt niet weg dat de Britse verwijten onzin zijn, en dat ze dus niet serieus genoemen hoeven te worden. In Groot-Brittannië zelf is op amateuristische wijze onzekerheid gezaaid door publiekelijke mededelingen te doen over een mogelijk verband tussen BSE en de dodelijke hersenziekte Creutzfeldt-Jakob. Te veronderstellen dat dergelijke onrustbarende signalen niet zouden worden opgevangen op het continent, getuigt van een even charmant als naïef eiland-denken. Dat een hele rits Britse wetenschappers er vervolgens niet in is geslaagd om hun Europese collega's ervan te overtuigen dat er eigenlijk helemaal niets aan de hand is, is een reden te meer om bezorgd te zijn.

Europees landbouwcommissaris Franz Fischler, en met hem alle leden van de Europese Commissie, hebben deze week dan ook het enige gedaan wat rederlijkerwijs van hen verwacht mocht worden. Zich verlatend op het advies van de 'deskundigen' hebben ze de uitvoer van Brits rundvlees aan banden gelegd.

Overigens zijn bij dat besluit wel andersoortige vraagtekens te zetten. Groot-Brittannië kampt al jarenlang met de 'gekke-koeienziekte' en bekend was dat getroffen maatregelen in de praktijk niet altijd even nauwgezet werden uigevoerd. Waarom is de EU dan niet eerder in actie gekomen? De Verenigde Staten en Australië kopen al jaren geen Brits rundvlees meer.

De relatieve snelheid waarmee nu in Brussel is gereageerd op het losbarsten van de Britse affaire, laat zien dat de Europese Unie wel degelijk efficiënt kan opereren, in weerwil van alle sombere verhalen over het falen van de samenwerking op onder andere justitiegebied en het buitenlandse beleid.

Dat Brussel beter kan omgaan met gekke koeien dan met het drugsverkeer tussen Kok en Chirac, of met de oorlog in Bosnië heeft natuurlijk alles te maken met het huidige, onvolledige karakter van de Europese samenwerking. Landbouw behoort van oudsher tot de kern van het communautaire beleid, terwijl de justitie en buitenlandse zaken onderdak hebben gekregen in de zogeheten intergoevermentele pijlers van Maastricht.

Heel ruwweg gesteld komt het verschil er op neer dat op het gebied van de landbouw de Europese Commissie verregaande bevoegdheden heeft - eigenlijk een soort Europese regering in spé is - en waarbij de lidstaten met meerderheid van stemmen besluiten nemen, terwijl buitenlands beleid en justitie nog steeds nationaal beleid is, waarbij ieder land zijn eigen blokkerende minderheid kan vormen.

Zo bezien is het huidige optreden tegen de Britse gekke-koeienziekte een aardige praktijkoefening aan de vooravond van de IGC. Toen Groot-Brittannië zich in 1973 aansloot bij de EEG, legde Londen zich daarmee impliciet neer bij het gegeven dat besluiten op onder andere landbouwgebied met meerderheid van stemmen worden genomen.

De Britse regering kan dat moeilijk terugdraaien, maar de ervaring van deze week zal Major ongetwijfeld sterken in zijn hardnekkige weigering de regel van 'meerderheidsstemming' uit te breiden tot de intergouvermentele sectoren, zoals het buitenlands beleid en justitie. De vraag of de Europese ministers in de toekomst effeciënter kunnen opereren door afschaffing van de 'unanimiteitsregel', wordt door velen in Brussel juist gezien als ijkpunt voor een al dan niet succesvolle uitkomst van de IGC. Als het aan Major ligt krijgt de IGC in die gedachtengang een niet-succesvolle afronding.

Het Britse standpunt, zo is genoegzaam bekend, staat lijnrecht tegenover de federatieve opvatting die onder andere is verwoord in het gezamenlijk document dat de Benelux-landen ten behoeve van de IGC hebben opgesteld. Ook Duitsland en Frankrijk neigen in die richting. Maar het verloop van de komende IGC-onderhandelingen zal leren dat het in praktijk gevaarlijk is om teveel in stereotype patronen te denken.

Want hoe federaal is federaal? Frankrijk bijvoorbeeld moet niet al te veel hebben van een echt gemeenschappelijk buitenlands beleid, waarbij ook de kleine landjes als volwaardige partners aan tafel zitten. Wat dat betreft is de recente Franse Alleingang in Servië, door in strijd met het afgesproken EU-beleid op eigen houtje een ambassadeur te herbenoemen in Belgrado, veelbetekend.

En wat te denken van het Nederlands drugsbeleid? Premier Kok verdient lof voor steeds minder ingetogen verbetenheid, waarmee hij zich verzet tegen de publiekelijke schofferingen van de Franse president Chirac. Het is volkomen terecht dat Nederland zich niet de les laat lezen door het almachtige Frankrijk. Parijs moet er niet van op kijken als de Fransen binnenkort de plek in Nederlandse onderbuik in gaan nemen, die tot dusver was gereserveerd voor de Duitsers.

Maar wat als de Nederlandse aanpak - conform het federale gedachtengoed waarin bij meerderheid wordt beslist - na de IGC plotseling wordt onderworpen aan gemeenschappelijk drugsbeleid? Hoe zou de stemverhouding dan zijn in Brussel: ook 14 tegen 1, zoals in het geval van de Britse gekke-koeienziekte, of misschien 13 tegen 2, of 12 tegen 3? In ieder geval is het in dat voorbeeld moeilijk in te zien dat Nederland niet zal behoren tot de minderheid die wordt overstemd.

Met andere woorden: in zo'n federaal Europa moeten Nederlanders ook slikken, zoals de Britten nu moeten slikken. En wellicht lopen er dan in Brussel ook diplomaten rond die zullen zeggen: “Eigen schuld, dikke bult”.