Vredesvlammen als einde strijd Toearegs

TIMBOEKTOE, 28 MAART. Op een steenworp afstand van de Malinese stad Timboektoe liggen op een wit geverfd podium in de woestijn 2.652 wapens opgestapeld in piramidevorm. Tussen de lopen van geweren steken takken naar boven. Gedroogd gras is over het wapentuig uitgespreid. De geur van benzine hangt rond het podium. Tegen een van de muurtjes van het podium staat een rond schild met de vlag van Mali en het opschrift 'Flammes de la Paix'. Met het vredesvuur van Timboektoe moet een definitief einde komen aan het zogeheten probleem van het Noorden, de strijd tussen de nomadische Toearegs (de 'heren van de Sahara') en het Malinese regeringsleger.

De opgestapelde wapens zijn sinds november ingezameld als onderdeel van het vredesprogramma voor het noorden van Mali. De strijdende partijen kwamen vier jaar geleden een nationaal pact overeen dat nu moet worden uitgevoerd.

In diepblauw gestoken Toearegs galopperen op kamelen door een tentenkamp op een heuvel achter het podium. Aan de westzijde van de zandvlakte klinkt, een uur voor de schemering invalt, een aanstekelijk Afrikaans ritme. Aan de noordzijde speelt een militaire kapel een Franse mars voor de gezagsdragers en hooggeplaatste genodigden, onder wie Jan Pronk, de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

Het conflict tussen de Toearegs, een zwarte bevolkingsgroep van Mali, en het leger begon toen de Toearegs in de zomer van 1990 uit ontevredenheid over hun economische achterstelling bij de rest van Mali een aanval openden op een overheidsgebouw in het dorpje Meneka, nabij de grens met Niger. Hoeveel slachtoffers in het conflict gevallen zijn, lijkt niemand te weten. “Elk getal is een gok die niet gecontroleerd kan worden”, zegt de gouverneur van het gebied, luitenant-kolonel Abdoulayfané.

Ook pater Pasternak, de voorzitter van de commissie voor mensenrechten die tijdens het conflict actief was in Timboektoe, kan niet zeggen hoeveel doden de rebellie geëist heeft. Zijn commissie kreeg tijdens het hoogtepunt van de conflicten in de zomer van 1994 maandelijks zeker twintig meldingen binnen van personen die door het leger of de rebellen van de straat waren geplukt. Naar schatting 120.000 Toearegs vluchtten naar omliggende landen uit angst voor represailles van het leger en van de Songray's en Bella's, de grootste zwarte bevolkingsgroepen in het midden van Mali.

De rebellie heeft het leven in het noorden van Mali ernstig ontwricht. Van een infrastructuur is nauwelijks nog sprake. De rebellen hebben op grondige wijze geprobeerd het noorden van het land te isoleren van het zuiden. Kromgetrokken telefoonpalen waar doorgeknipte draden aanhangen staan langs de kant van de weg van Goundam naar Timboektoe. Tot twee maanden geleden was deze route onbegaanbaar door aanvallen van de Toeareg-rebellen.

De rebellen eisten meer aandacht van de regering in Bamako voor de ontwikkelingsproblematiek van het Noorden. Ze hadden nauwelijks economische, politieke of militaire invloed in de regio waar zij woonden, veelal omdat het merendeel van de Toearegs niet voldoende scholing heeft gehad. Dat werd lange tijd beschouwd als iets wat niet binnen de cultuur van de Toearegs paste. De achterstand die zij daardoor opliepen op de zwarte bevolkingsgroepen werd vooral aan het einde van de jaren tachtig pijnlijk voelbaar.

De Toearegs verloren door twee lange periodes van droogte in de jaren zeventig en tachtig meer dan de helft van hun kudden. “De woestijn”, zegt Zeïwan Ag Sidalamine, secretaris-generaal van een van de vier Toeareg-rebellenbewegingen, “geeft steeds minder. En de regering heeft het noorden te lang verwaarloosd.” Behalve een economisch motief voor de rebellie was er ook een cultureel motief. “Wij vrezen onze identiteit te verliezen. Toearegs horen thuis in de woestijn. Maar de woestijn lijkt ons niet meer te willen.”

Een deel van de Toearegs heeft het gevecht met de woestijn opgegeven en zich in of nabij nederzettingen gevestigd. Allou Ag Mohamed Assalek (43) heeft een tand die zwartgeblakerd vooruitsteekt. Hij leunt op een stok en roept zo nu en dan iets naar zijn geiten. De huid rond zijn ogen is blank, zijn wangen en kin zijn zwart geworden door de donker gekleurde tulband die Toearegs gebruiken om het gezicht tegen het stof van de woestijn te beschermen. Hij woont op enkele kilometers afstand van Timboektoe omdat de stad veel gemakken biedt. Maar echt naar de stad verhuizen weigert hij. “Ik wil niet dat mijn kinderen een andere cultuur leren dan die van de Toearegs. De woestijn is voor Toearegs wat water is voor vissen.”

Voor een blijvende vrede in het noorden is het volgens veel zwarte Malinezen evenwel noodzakelijk dat de Toearegs zich permanent gaan vestigen. “Alleen dan is het mogelijk voor de regering om ze te controleren”, zegt een woordvoerder van Ganda Koï. Ganda Koï (vertaald: 'het land is van ons') is een 'zelfverdedigingsbeweging' van zwarte Malinezen die zich na aanvallen van Toeareg-rebellen op zwarte nederzettingen hebben verenigd. De gouverneur van Timboektoe geeft volmondig toe dat het een van zijn taken is de Toearegs te sedentariseren. “Ik heb de nomaden gezegd: wij zullen alles doen om ontwikkeling te brengen als jullie je maar gaan vestigen.” De rebellenleider Sidalamine heeft desondanks vertrouwen in de keuzevrijheid voor de Toearegs. “Niemand zal ons dwingen te sedentariseren. Dat kan niet. En het heeft ook geen zin. De kennis van de Toearegs over de woestijn is te waardevol. Wij moeten de woestijn tot bloei brengen omdat er niet genoeg land is. Dat vergt tijd. Wij Toearegs zullen een mentaliteitsverandering moeten doormaken. We hebben scholing nodig, iets wat niet in onze cultuur paste. Wij moeten ons actief bemoeien met de nationale politiek, met ons eigen lot. Dat betekent samenwerking met andere bevolkingsgroepen van Mali.”

De herder Allou vluchtte in 1994 uit Timboektoe nadat Toeareg-rebellen hem hadden gedwongen de stad te verlaten. Hij trok met zijn familie en een kudde geiten de woestijn in, op weg naar Mauretanië. Maar daar waar de Toearegs vroeger de heren van de Sahara waren, raakte Allou de weg naar Mauretanië kwijt. Het sendentaire bestaan heeft hem een voor nomaden noodzakelijk instinct ontnomen. Nadat hij met zijn familie de laatste geit had opgegeten, keerde hij terug naar Timboektoe. “De zekerheid van de hongerdood in de woestijn of de kans lopen gedood te worden door rebellen in Timboektoe? Wat had ik voor keus?” Bij zijn terugkeer kreeg Allou van de gouverneur een tent en een paar geiten zodat hij zijn leven weer kon voortzetten. “Maar de waterpomp die mij een jaar geleden is toegezegd, heb ik nog steeds niet gekregen. Het is nu vrede, maar dit leven houden we niet veel langer vol. Dan is oorlog het enige dat ons rest om onszelf in leven te houden. Te veel tijd is al verspild, we hebben niet veel meer over.”

Op de zandvlakte van Timboektoe is de muziek stopgezet. President Alpha Oumar Konaré begeeft zich met enkele genodigden en met vertegenwoordigers van de rebellenbewegingen naar het witte podium. De fakkels worden ontstoken en op het met benzine besprenkelde gras bovenop de wapens gelegd. De benzine brandt direct, vlammen schieten metershoog de lucht in. De gouverneur staat op veilige afstand te kijken. “Vrede, ik weet het niet. Ik hoop het. De mensen zijn doodmoe van de conflicten en de armoede. Maar als we de armoede niet kunnen verslaan zijn deze vlammen voor niets geweest.”