Vingerafdrukken van Studio Dumbar; De filosofie van het teveel

Studio Dumbar: Behind the Seen. Kunsthal, Rotterdam. T/m 12 mei. Wim Pijbes (ed.): 'Behind the Seen', Verlag Hermann Schmidt Mainz, ƒ 160.-

In de Rotterdamse Kunsthal is een overzichtstentoon- stelling te zien van het grafisch ontwerp van Studio Dumbar, bekend van huisstijlen en logo's voor Holland Festival, Rijksmuseum, NOB, politie, GAK en het Nationale Toneel. Voor commercie of cultuur, de grafische formule van de Studio is altijd herkenbaar; klapje, veegje, belletje.

Alle kunsten zouden, metaforisch gesproken, gereduceerd kunnen worden tot twee categorieën: poëzie of architectuur, vluchtig of solide, gedachte of gebouw. (Om de idee te bepalen: schilderkunst is poëzie, beeldhouwkunst is architectuur.) Maar in welke categorie valt dan een bastaardkunst als design? Is het de gedachte die hier telt, het concept, of is het de uitwerking daarvan, de structuur van woord en beeld?

Die vraag wordt opgeroepen door de tentoonstelling Studio Dumbar, Behind the Seen in de Rotterdamse Kunsthal. Even woordspelig als de titel is het werk. De ontwerpers lenen, vervormen, goochelen en jongleren met het typografisch ideeëngoed dat het een aard heeft. Af en toe lijkt het meer op een circus met drie pistes, waarin van alles tegelijk gebeurt, dan op de strenge discipline die het grafisch ontwerp traditioneel is. Gert Dumbar en zijn stal wil dan ook allesbehalve traditioneel zijn.

De strijd die het ontwerp van deze eeuw beheerst, gaat tussen het kamp dat meent dat typografie 'onzichtbaar' moet zijn, de letter niet meer dan het voertuig van een gedachte, en het kamp dat meent dat de letter, en in het verlengde daarvan de compositie, een actieve, expressieve rol moet spelen in het overbrengen van de boodschap. Het eerste beroept zich op de ervaring van vijf eeuwen boekdrukkunst; het tweede op het revolutionaire erfgoed van de jaren twintig: Rodchenko, Piet Zwart en (de experimentele) Tschichold.

Wat de laatste jaren in de wereld bekend is geworden onder de noemer Dutch Design valt allemaal in de laatste categorie, of het nu werk betreft van Rudy VanderLans, Max Kisman, Hard Werken of Studio Dumbar, hoe verschillend onderling ook.

In de vijftien jaar van zijn bestaan heeft de studio zich ontwikkeld van een eenmansbedrijf tot een invloedrijke groep van zo'n vijftien mensen, uiteraard niet altijd dezelfde. De studio is een duiventil waar even gemakkelijk in- als uitgevlogen wordt, waar invloeden worden binnengehaald en van waaruit ze zich verspreiden.

De terugblik biedt een heterogeen beeld. Dumbar ontwerpt affiches en huisstijlen, catalogi en pictogrammen; de studio werkt net zo makkelijk voor cultuur als voor commercie. In het dagelijks leven zijn Dumbars vingerafdrukken overal te vinden: bij het Holland Festival en bij het Rijksmuseum, bij de PTT en bij het NOB, bij de NCRV en bij de politie, bij het GAK en bij het Nationale Toneel.

Hoewel de vormgeving in handen is van een groot aantal individuen blijft de Dumbar-stijl altijd herkenbaar. Bij de grote klanten wat terughoudender dan bij de kleine, bij cultuur wat extravaganter dan bij commercie, maar toch: typisch Dumbar.

De Dumbar-stijl gaat uit van de filosofie van het teveel. Waarom één kleur gebruiken als je er ook tien kan gebruiken? Waarom je beperken tot één lettertype als er zovele zijn? Waarom naast een horizontaal arrangement van tekst ook niet een verticaal en een diagonaal? Waarom naast schots ook niet scheef? De grafische formule van Studio Dumbar is even herkenbaar als de muziek van The Modern Jazz Quartet: klapje, veegje, belletje.

Gert Dumbar (1940) begon zijn loopbaan als een overtuigd modernist. Letters waren schreefloos, bij voorkeur geselecteerd uit de familie Univers, hun ordening was rationeel en 'onzichtbaar'. Sindsdien heeft hij ontdekt dat er meer is tussen hemel en aarde. Hij wil emotie overbrengen, betovering, spontaniteit en theater, daartoe dienen alle middelen te worden ingezet.

In zijn eigen bijdrage aan het boek Behind the Seen zet hij zich af tegen de Goede Smaak en de bijpassende Techniek met een citaat van Rudi Fuchs: “Er bestaat een vergissing over wat werkelijk waardevol is in de kunst: avontuur en de kans schipbreuk te lijden, of het in toenemende mate reukloze resultaat dat uiteindelijk eindigt in goede smaak.”

Dapper gesproken! Bravo en bis! Maar heeft Dumbar de reikwijdte van die uitspraak wel overzien?

Nu wordt het begin van dit stukje weer actueel. Dumbars design opteert voor poëzie, maar is die keuze logisch of zelfs maar haalbaar? Gerrit Komrij heeft over het fundamentele verschil tussen poëzie en architectuur eens opgemerkt dat je in de eerste niet hoeft te wonen. Het gedicht heeft geen 'nut' anders dan dat het de maker behaagt; architectuur kan nooit al te eigenzinnig zijn omdat ze onderworpen is aan de eisen van gebruik. Gangen die doodlopen, deuren die geen toegang bieden, kamers die gekanteld zijn - het ontwerp kan misschien wel worden gebouwd, maar niet bewoond.

Dumbar haakt naar de status en vrijheid van de kunstenaar, maar het gekozen medium is daarvoor ongeschikt. Het grafisch ontwerp is niet zelfstandig, het is een intermediair tussen mededeling en publiek, het is een manier om die informatie te organiseren en te communiceren. Grafisch ontwerp is niet autonoom, het vervult een functie. Het is architectuur, geen poëzie.

De artikelen in het boek worden onderbroken door een in delen opgesplitst gedicht van Pablo Neruda, Ode aan de typografie. Deze passages zijn zonder aanwijsbare reden (huisstijl van de firma) verticaal gezet, zodat het boek telkens een kwartslag moet worden gedraaid als je daarvan kennis wilt nemen. Ook het waarom van de keuze is niet direct duidelijk. Neruda houdt een lofzang op de gestrengheid van typografie: “Letters, lang, streng, verticaal, gemaakt van klare lijn, omhooggericht als de mast van een schip temidden van des pagina's zee van verwarring en turbulentie.” Blijkbaar heeft (Studio) Dumbar de (gekantelde) boodschap niet begrepen: zijn typografie schept geen orde in de chaos (zoals Neruda dat bezingt); zijn typografie verandert orde in chaos.

Dumbar verzet zich tegen het hoofd en de rede, zijn werk is een pleidooi voor het hart en de emotie. Hij bekent zich daarmee tot de school die meent dat denken nobeler wordt als het met een ander orgaan gebeurt dan de hersenen.

De resultaten zijn er naar. De 'theoretische' funderingen van het boek zijn niet meer dan praatjes voor de vaak. De ene keer gaat het over de noodzaak het posthoorn-motief van de posterijen (in Nederland) af te schaffen, omdat het in onze tijd van satelliet-communicatie ouderwets en ongeschikt is geworden. Het andere moment gaat het over de noodzaak het posthoorn-motief van de posterijen (in Denemarken) te behouden, om de band met het verleden niet te verbreken.

Dat gebrek aan logica is de prijs voor het denken met het hart.