Verdere centralisatie in EU is uit den boze

Op 12 maart publiceerde de Britse regering haar regeringsnota over de Intergouvernementele Conferentie (IGC) onder de titel A Partnership of Nations. Hierin zette zij op positieve, samenhangende wijze uiteen hoe zij de overstap naar de volgende ontwikkelingsfase van de Europese Unie ziet.

Het Verenigd Koninkrijk is er vast van overtuigd dat de Europese Unie moet slagen en dat Groot-Brittannië daarbij een leidende rol moet spelen. We hebben vooraan gestaan in het streven naar een Europese markt die intern open is, en open staat voor de rest van de wereld. De gemeenschappelijke markt heeft een belangrijke prikkel aan het handelsverkeer gegeven en is van groot belang geweest voor het aantrekken van interne investeringen, waarvan alle lidstaten hebben geprofiteerd.

Maar de EU is meer dan alleen een gemeenschappelijke markt. Ze is een belangrijke drijvende kracht voor vrede en stabiliteit in Europa, en vormt de basis voor het werk dat we thans verrichten om de tweedeling uit de Koude Oorlog te overbruggen. Uitbreiding van de EU is niet alleen een historische taak voor Europa maar is ook in het belang van alle lidstaten. Dit zal veranderingen vergen in zowel het Europees beleid - met name in het agrarisch en het regionaal beleid - als de instellingen van de EU. Toch moet de uitbreiding een van de centrale aandachtspunten van de aanstaande conferentie worden.

Ondanks de vorderingen ondergaat de Europese Unie de afgelopen tijd een periode van onzekerheid en twijfel. De gang van zaken rond de ratificatie van het Verdrag van Maastricht heeft een mate van verontrusting onder het publiek aan het licht gebracht waarover een ieder die, zoals de Britse regering, wil dat de EU zich naar vermogen ontwikkelt, zich zorgen dient te maken. Deze verontrusting is gebleken op een moment dat de EU zich met grote internationale uitdagingen geconfronteerd ziet, variërend van uitbreiding en de noodzaak Rusland te helpen bij de wederopbouw als een stabiele natie, tot het creëren van nieuwe werkgelegenheid in Europa zelf, hetgeen afhangt van haar vermogen de serieuze concurrentie vanuit het gebied rond de Stille Oceaan en van elders het hoofd te bieden, tot de strijd tegen het terrorisme en de internationale misdaad.

De IGC zal van belang zijn om Europa te helpen zich op deze uitdagingen voor te bereiden. Maar wil het die aankunnen, dan moet het de EU een vorm geven die brede steun geniet in heel Europa. Dit betekent rekening houden met de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de naties die samen de EU vormen; het betekent dat we ons geconcentreerd moeten richten op wat er op Europees niveau moet gebeuren en, zoals Commissievoorzitter Jacques Santer heeft gezegd, die dingen beter moeten doen.

Op basis hiervan zal het Verenigd Koninkrijk een serie constructieve, praktische voorstellen doen. Zo zullen wij ideeën aandragen om de rechtspleging binnen de Gemeenschap te verbeteren. Deze ideeën zullen betrekking hebben op de verankering in de wet van het subsidiariteitsprincipe; op meer systematische consultatie door de Europese Commissie van volksvertegenwoordigingen, ondernemingen en andere belanghebbende partijen alvorens met nieuwe wetgeving te komen; en op betere handhaving van de bestaande wetgeving.

Ook zal het VK voorstellen doen betreffende het Europese Hof van Justitie. Wij zijn een sterk voorstander van een krachtig, onafhankelijk gerechtshof. Het VK is altijd voorvechter geweest van de rechtsorde en het is van essentieel belang in heel Europa te zorgen voor gelijke toepassing van de gemeenschappelijke wetgeving. De werkwijze van het hof is, net als die van de andere instellingen, vatbaar voor verbetering in het licht van gerechtvaardigde zorgen omtrent de wijze waarop het hof functioneert en het effect van sommige van zijn uitspraken.

Tevens zullen wij praktische denkbeelden aandragen ter versterking van het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid. Wij zijn het volstrekt eens met de stelling dat waar leden van de EU gemeenschappelijke belangen hebben, zij tegenover de wereld gezamenlijk dienen te spreken en op te treden. Dit is in het belang van de Unie, en van al haar lidstaten. Maar wij menen niet dat een gemeenschappelijk Europees belang tot stand kan worden gebracht eenvoudig door de stemmingsprocedure in de ministerraad te veranderen. Een meerderheidsbeleid is geen alternatief voor een gemeenschappelijk beleid.

De Britse regering is eropuit de rol van de nationale parlementen in de Europese besluitvorming verder te ontwikkelen. Nationale parlementen zijn en blijven de primaire organen waar het de democratische legitimiteit binnen de Unie betreft. Zij zijn het die de ministers in de ministerraad rekenschap vragen. Brittannië overweegt verschillende opties waaronder een minimumperiode waarin een parlement Europese documenten moet kunnen bestuderen voordat erover beslist wordt, en een belangrijker rol voor nationale parlementen op het vlak van justitie en interne aangelegenheden.

Dit zelfde verlangen de bevolking het gevoel te geven dat men democratische controle kan uitoefenen op het Europese besluitvormingsproces, betekent dat we ons zullen verzetten tegen verdergaande centralisatie. Zo zou het niet gemakkelijker moeten worden de bezwaren van lidstaten op voor hen gevoelige punten terzijde te schuiven. Daarom zullen wij ons verzetten tegen verdere uitbreiding van het stemmen bij gewogen meerderheid.

Vaak wordt gesteld dat het vasthouden aan een unanieme besluitvorming een verbrede Europese Unie van 20 of meer lidstaten onwerkbaar zou maken. Deze bewering blijkt bij nadere beschouwing echter onhoudbaar. Lidstaten zullen niet gedogen dat ze in de meest fundamentele kwesties worden genegeerd. Bovendien wordt nu ook al bij meerderheid gestemd daar waar regelmatig beslissingen nodig zijn om de Unie in staat te stellen haar dagelijkse functies te vervullen. Het is dan ook niet geheel eerlijk te suggereren dat uitbreiding van de Unie niet kan slagen tenzij er meer gewogen meerderheidsbesluiten komen.

Ook zullen we ons ertegen verzetten dat de competentie van de Unie verder wordt uitgebreid, en we hebben met instemming gereageerd op de uitspraak van de voorzitter van de Commissie dat de Commissie zelf tijdens de IGC geen nieuwe bevoegdheden zal nastreven.

Voorts houden wij eraan vast dat het stelsel van meerderheidsbesluiten moet worden aangepast om het grotere democratische legitimiteit te verschaffen. Thans menen wij, en tal van andere lidstaten met ons, dat de afweging tussen bevolkingsomvang en andere belangrijke factoren zoals de soevereiniteit van alle staten niet geheel in balans is. Hier dient het evenwicht te worden hersteld, vooral met het oog op verdere uitbreiding van de Unie.

De Britse benaderingswijze zal vooral worden bepaald door een praktische visie op de ontwikkeling van Europa als een samenwerkingsverband tussen naties. De IGC moet de bevolking de overtuiging geven dat de Europese Unie in dienst staat van haar leden en geen bedreiging vormt van hun onafhankelijkheid. Op die basis kunnen we veel doen om de inrichting en uitbouw van de Europese Unie te bevorderen, om de doelmatigheid van het gezamenlijk beleid te vergroten, om onze Unie dichter bij haar burgers te brengen en om voorbereidingen te treffen voor haar verdere uitbreiding.