Serrano: Ik pluk mijn modellen van de straat

Black and Blue. Groninger Museum. T/m 8/4. Di-zo 10-17u. Andres Serrano: Body and Soul. Uitg. Takarajima Books, ƒ 85,-.

GRONINGEN, 28 MAART. De Amerikaan Andres Serrano (New York, 1950) maakt foto's, maar hij is geen fotograaf. Zijn foto's lijken soms abstract, maar zijn het niet; Serrano's beeldvullende rood, wit en geel is respectievelijk runderbloed, koeiemelk en zijn eigen urine. Serrano vindt zijn werk vooral pretty, hij wil niet provoceren. Toch luidde een van zijn werken, een foto van een in een bak met urine ondergedompelde crucifix, de Amerikaanse culture wars van eind jaren tachtig in; de republikeinse senator Alphonse D'Amato verscheurde in 1989 een afbeelding ervan omdat het het christendom zou onteren.

Publiek protest zorgde er daarna voor dat de National Endowments of the Arts, de grootse subsidiegever in de Verenigde Staten, die Serrano een prijs had gegeven, gekort werd op zijn inkomsten. Maar als het werk geen Piss Christ had geheten, is het niet uitgesloten dat D'Amato het zelf had kunnen waarderen: het zachte oranjegeel omfloerst Christus aan het kruis als een beeldvullend halo.

Serrano neemt deel aan de expositie Black and blue. Acht Amerikaanse fotografen in het Groninger Museum. De fotografen hebben een voorkeur voor het ongewone of wat voor het ongewone doorgaat, voor mensen met tatoeages bijvoorbeeld (Katherine Opie) of voor mongolen (Diane Arbus). Serrano kijkt vaak eerder naar het ongeziene dan naar het ongewone. In Groningen hangt bijvoorbeeld een foto van een vrouw die een man pijpt. “Fellatio is een gewone seksuele handeling”, zegt Serrano, terwijl hij in de kelder van het Groninger Museum in de tuit van een frivole suikerpot knijpt. “Het is alleen raar om die handeling opeens in een museum te zien. Mensen zijn nieuwsgierig. Iedereen die op de snelweg een auto-ongeluk passsert gaat langzamer rijden om de lichamen te zien. Dezelfde behoefte bevredig ik met mijn werk. Mijn foto's zijn trouwens vaak maar een paar jaar schokkend. Meestal worden ze vrij snel na de aanvankelijke verontwaardiging geaccepteerd.”

De fellatiofoto maakt deel uit van een serie die Serrano in 1994 in Boedapest maakte. Twee andere foto's uit de serie tonen oude, naakte mensen. Op een ervan houden een man en een vrouw op de oever van een meer elkaars hand vast terwijl ze gelukzalig glimlachend in de camera blikken. “In Amerika is seks iets dat alleen jonge mensen doen”, zegt Serrano. “Ik wilde laten zien dat oude mensen ook lichamen hebben en dat ze die lichamen seksueel kunnen gebruiken.”

Het zijn niet deze lessen die de foto's van Serrano bijzonder maken. De Amerikaan schenkt het ongeziene onverwachte schoonheid. De rimpels van een oud schildersmodel, de bloezende buik van de vrouw aan het meer, ze zijn niet meer lelijk. Het merkwaardigst is dit effect bij de serie die Serrano in 1992 in een New-Yorks mortuarium maakte. De close-ups van verbrande of verdronken huid, het portret van een al ontbindende, door de politie neergeschoten vrouw, stoten niet af, maar trekken aan.

“Een van de functies van een kunstenaar is het creëren van schoonheid”, zegt Serrano. “Ik wil die vinden waar je haar niet verwacht.” Om schoonheid te creëren, maakt Serrano gebruik van beproefde middelen: strakke, geometrisch opgebouwde composities, verzadigde kleuren, uitgekiende belichting. “Ik ben niet opgeleid als fotograaf”, zegt Serrano, die studeerde aan de Brooklyn Museum School. “Ik weet er net genoeg van om te kunnen doen wat ik wil. Mijn werk doet vaak aan schilderijen uit de Renaissance en de Barok denken. Ik heb een katholieke smaak, die is terug te voeren op mijn opvoeding in Brooklyn. Ik ga nu niet meer naar de kerk, maar ik beschouw mezelf wel als een christelijk kunstenaar. Mijn werk zou ook in kerken geëxposeerd kunnen worden in plaats van in musea. Ik voel me verwant met de filmmaker Luis Buñuel. Net als hij geloof ik dat het heilige en het profane niet zonder elkaar kunnen bestaan.”

Serrano's foto's verwijzen niet alleen naar het katholieke verleden. Ze zijn daarnaast mooi op de manier van reclamefotografie; scherp, perfect afgewerkt en bijna pijnlijk elegant. Door deze techniek was Serrano in staat daklozen te fotograferen als fotomodellen. Hun haveloze kleding lijkt door Serrano's fotografie net zo begerenswaardig als Parijse haute couture. “Daklozen zijn mensen die je vaak ziet, maar je leert snel niet naar hen te kijken. Dat patroon wilde ik doorbreken. Mijn inspiratie voor deze serie was het werk van Edward Curtis, die omstreeks 1900 native americans in vol ornaat fotografeerde. Op deze serie is Curtis vaak aangevallen, want hij zou de indianen niet in hun eigen kleding hebben laten poseren, hij zou hen mooier hebben gemaakt dan ze waren. Ik heb daar geen bezwaar tegen. Curtis wilde de werkelijkheid niet weergeven, hij wilde zijn eigen werkelijkheid creëren. Overigens heb ik de daklozen precies zo gefotografeerd als ik ze aantrof, in een mobiele studio in de New-Yorkse metro.”

Serrano exposeerde deze serie samen met portretten van leiders van de Klu Klux Clan. “Ik had het gevoel dat deze series elkaar aanvulden; extreme armoede naast extreme vooroordelen.” Op de foto's van de klanleden wordt ook hún armoede duidelijk: de maskers zijn van dichtbij niet dreigend, zo armetierig zijn ze in elkaar gezet. Serrano beweert dat het ondanks het feit dat hij zelf niet blank is, niet moeilijk was om de klanleden tot poseren te verleiden. “Ik ben niet moralistisch. Ik oordeel niet. Dat voelen mensen. Ze nemen me vaak in vertrouwen. Wat me bij de Klan opviel, was hoe arm deze mensen waren. Het zijn underdogs die in de zwarten weer hun underdogs hebben gevonden.”

Binnenkort gaat hij in Amsterdam fotograferen. De resultaten zijn waarschijnlijk volgend jaar te zien op een retrospectief van Serrano in het Groninger Museum, dat onlangs twee foto's uit The Morgue-serie kocht. “In Rome heb ik vorige zomer 2000 foto's gemaakt. Uiteindelijk zal ik er daar maar zeven van exposeren. Een goede kunstenaar gooit veel weg.” De foto's zijn geen snapshots. “Iedereen denkt dat de twee oude mensen bij het meer een paar vormen. Maar ze hebben elkaar pas vlak voor het maken van deze foto ontmoet. Mijn modellen pluk ik altijd van de straat. Ik ben vaak op zoek naar een archetype, naar dé soldaat, dé matroos, dé prostituée. In Boedapest betaalde ik mijn modellen 50 dollar voor een sessie, in Rome 250 dollar. Vaak voegen ze iets toe aan de foto. Ik wilde dat de twee oude mensen elkaar omhelsden. Maar zij hielden liever elkaars hand vast. Uiteindelijk leverde dat de beste foto op. De camera liegt, maar soms liegt ze verdomd goed.”