Rode kamperfoelie op de Pietersberg

De Levende Natuur, 97e jaargang nr. 2, maart 1996. ISSN 0024-1520.

Jaarabonnement ƒ 50,- , tel. 035-6559911. Het eeuwnummer is los te bestellen door ƒ 15,- over te maken op giro 81935 t.n.v. abonnementenadministratie De Levende Natuur in 's Graveland, onder vermelding van 'eeuwnummer'.

Deze maand viert het tijdschrift 'De Levende Natuur' zijn eeuwfeest. Precies honderd jaar geleden verscheen het eerste nummer onder redactie van E. Heimans, Jac. P. Thijsse en J. Jaspers. De eerste jaren was het blad vooral een platform voor natuurliefhebbers, die melding maakten van bijzondere ontdekkingen. Later werd het steeds meer een vakblad voor veldbiologen. Sinds de jaren tachtig richt De Levende Natuur zich tot een min of meer professionele lezersgroep, zoals onderzoekers en terreinbeheerders. Het extra uitgebreide jubileumnummer is historisch getint, met mooie verhalen van de eerste redacteuren, aangevuld met eigentijdse bijdragen over dezelfde onderwerpen. Oude wandelingen worden opnieuw gemaakt en beschreven, bijvoorbeeld over de Sint Pietersberg, indertijd onderwerp van het eerste themanummer van het blad. In 1923 riep Jacob Heimans (die zijn plotseling overleden vader Eli in 1914 als redacteur was opgevolgd en tot zijn dood in 1978 voor het blad zou blijven schrijven) de vraag op 'Hoe het toch komt, dat juist de St. Pietersberg zoo'n unicum is voor de floristiek van ons land, de eenige of de beste groeiplaats voor zooveel interessante en belangrijke planten'. Nog steeds vergapen liefhebbers zich op de St. Pietersberg aan bijzonderheden als Groot zonneroosje, Blazenstruik, Klimopbremraap, Vingerzegge, Rode kamperfoelie en Bergsteentijm. Heimans vermoedt, dat de ligging, direct aan het Maasdal, in de driehoek tussen Jeker en Maas en de rechtstreekse aansluiting op de Belgische Maasheuvels er veel mee te maken heeft. Zo konden allerlei 'zuidelijke planten' de steile wanden van het Maasdal gemakkelijk bereiken en binnentrekken als volksstammen, zoals Heimans schrijft, langs de St. Pietersberg 'als een invalspoort, steil en witheet in de zon'. Ook de warmteminnende Muurhagedis vindt hier in het zuidelijkste puntje van Limburg nog altijd een bruggehoofd. Onvermijdelijk komen de 'moderne' schrijvers J.H. Willems en M. Lejeune tot de slotsom dat er van al dat moois niet veel meer over is. De berg is grotendeels afgegraven om mergel te winnen, waarbij waardevolle botanische terreinen verloren zijn gegaan. Deze kalkwinning zal pas over 15 jaar volledig worden stopgezet. Al eerder hoopt men op graslanden in de omgeving - de vroeger befaamde blauwgraslanden, haast net zo bloemrijk als de Alpenweitjes - in oude luister te herstellen. Daarom trekken er nu weer schaapskudden rond. Tot de beroemdste auteurs die de afgelopen honderd jaar aan het blad hebben bijgedragen behoort Niko Tinbergen, de latere Nobelprijswinnaar, specialist in het gedrag van vogels en andere dieren. In deze special een bijdrage van Tinbergen uit 1932 over het sociale gedrag van zilvermeeuwen in de broedkolonie bij Wassenaar. Hij verbaast zich over het feit dat die vogels, zodra ze in de lente op de broedplaats komen, een paartje vormen. Blijven ze het hele jaar getrouwd? Blijven ze de hele winter bij elkaar? Daar zijn volgens Tinbergen niet veel aanwijzingen voor. Hij pleit ervoor om 'geduldig en uiterst scherp te kijken naar het gedrag van de meeuwen in de winter'. Hoe geduldig hij zelf naar vogels kijkt blijkt uit zijn dagboek over de manier waarop een meeuwenpaar zich een territorium verovert. Tinbergen schetst het vechtwerk van de mannetjes op de huwelijksmarkt, altijd ingeleid door een ritueel van strootjesrapen, waarbij tegenstanders elkaar de strootjes uit de bek grissen om vervolgens slaags te raken. Hij ziet de meeuwen, al gorgelend, kuiltjes draaien om daarmee indringers tot de aftocht te bewegen. Hij beschrijft lokroepen, baltsroepen en bedelroepen, soms afgewisseld met een woederoep ('klieuw!)' of een angstroep ('kèkèkèkè'). Zo beeldend wordt er nu niet geschreven in De Levende Natuur en het gaat ook niet meer over waarnemingen uit het dagelijks leven. Typerend voor de veracademisering van het blad is, dat de redactie maar liefst vijftien pagina's van dit themanummer wijdt aan Rottum. Ongetwijfeld een eiland van de allerhoogste natuurwetenschappelijke waarde. Maar ook een uithoek, waar de gemiddelde Nederlander nooit geweest zal zijn, en ook nooit zal komen.