'Ons Schipper' op de schoorsteen 'sach de Son'

Het dagboek van Gerrit de Veer over de overwintering op Nova Zembla is sinds 1598 alleen in geromantiseerde bewerkingen heruitgegeven. Ter gelegenheid van het Willem-Barentszjaar is het dagboek nu voor het eerst in zijn oorspronkelijke vorm 'hertaald' naar begrijpelijk Nederlands.

AMSTERDAM, 28 MAART. “Ons Schipper bestondt inde schoorsteen te climmen, om daer deur buyten te comen, ende om dieswille lieper een van onse maets buyten thuijs, om te sien oft de schipper boven den schoorsteen uyt quam, de selvighe boven opt snee comende, sach de Son, ende riep ons allen uyt, ende wy quamen alle tsamen heastich uyt, ende saghen alle gelijck de Son in zijn volle rondicheyt, weynich boven den Horizont.”

Aldus Gerrit de Veer op den 27. Januarij 1597, de dag dat de overwinteraars van Nova Zembla voor het eerst sinds 3 november 1596 de zon weer zien. De taalkundige V. Roeper herschreef samen met haar echtgenoot D. Wildeman, bibliothecaris van het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het dagboek van De Veer in wat zij noemt “voor havo-scholieren begrijpelijk Nederlands”. Vierhonderd jaar later blijkt De Veer te schrijven: “Hij klom in de schoorsteen. Iemand liep snel naar buiten om te zien of Van Heemskerck al bovenop de schoorsteen zat. Toen hij buiten kwam zag hij de zon en riep ons allemaal naar buiten. Wij zagen hem ook, helemaal rond, iets boven de horizon.”

Sinds de eerste druk in 1598 verschenen vooral de afgelopen honderdvijftig jaar talrijke bewerkingen van het dagboek van De Veer. Roeper: “Het verhaal bevat alle elementen van een jongensboek: spanning, ontbering, hoop, verwachting, moed en redding. En een goede afloop. Ik heb zelf ook ademloos zitten lezen.” De jongensboeken doen de waarheid echter vaak geweld aan.

De hertalers hebben “naar eer en geweten” en zonder romantische toevoegingen van de oorspronkelijke teksten gangbaar Nederlands gemaakt. Om De Veers langdradige zinsbouw te kunnen inkorten, moesten ze zich inleven in de auteur. Voor Roeper was dat “een worsteling”. “Ik sloot mij midden in de vorige zomer af en werd tijdelijk een zestiende-eeuwer. Dat ik het tijdens het lezen ook werkelijk koud kreeg, is natuurlijk een compliment aan De Veer”, zegt Roeper.

Gerrit de Veer maakte de ijzige reis tot een beroemd hoofdstuk in de vaderlandse historie. Na terugkeer in Amsterdam liet hij zijn Waerachtige beschryvinghe van drie seylagien, ten werelt noyt soo vreemt ghehoort in 1598 publiceren door de hoofdstedelijke uitgever Cornelis Claesz. In de eerste jaren van de zeventiende eeuw was het boek een bestseller. Het boek was om verschillende redenen meteen een 'must', ook in het buitenland. Voor het geletterde publiek vertelde De Veer een spannend verhaal. Voor de zestiende-eeuwse wetenschappers gaf het dagboek antwoord op de brandende vraag hoe de noordpool eruit zag. En natuurlijk wilden de Europese handelaren weten hoe het de verkenners van de noordroute naar Azië was vergaan.

De hertalers scheidden hoofdzinnen van bijzinnen en herschikten reeksen bijvoeglijke naamwoorden. In de bibliotheek van het Scheepvaartmuseum is genoeg literatuur voorhanden om in geval van twijfel de betekenis van een woord of zinsnede te achterhalen. Wildeman en Roeper passen alleen noten toe als daarmee het verloop van het verhaal begrijpelijker wordt. De meeste noten zijn gewijd aan de verklaring van in onbruik geraakte woorden, zoals kardoezen. Dat zijn 'pakketjes waarin de buskruitlading voor de kanonnen op het schip gehuld werden'.

Ook fouten die Gerrit de Veer zelf maakte, zetten de auteurs in noten recht, “want aan de oorspronkelijke tekst wilden we toch zo min mogelijk tornen”, zegt Roeper. Op de heenreis beschrijft De Veer dat de schepelingen de kust van Groenland zien. Maar dat ligt veel westelijker dan waar de Amsterdamse schepen voeren. De hertalers verklaren dat het een deel van de westkust van Spitsbergen moet zijn geweest.

Ook bij het bepalen van coördinaten verrekende De Veer zich. In een uitgave door de Linschoten-Vereeniging in 1917 verbeterde S.P. l'Honoré Naber die fouten. Wildeman en Roeper doen dat niet. “Voor het Nederlandse lezerspubliek heeft het geen nut.”

Roeper twijfelt niet aan De Veers schrijftalent. “Hij gaf zijn verhaal een heel prettige opbouw.” De Veer laat oninteressante stukken van de reis weg; met vooruitblikkende opmerkingen maakt hij de lezer nieuwsgierig naar het vervolg; de thuiskomst in Amsterdam is onderdeel van de climax van het verhaal en De Veer schrijft met humor. Als het gezelschap het huis in vlucht voor 30 graden vorst, schrijft hij: “Buiten was het immers niet bepaald snikheet”.

Dat was heel ongebruikelijk voor scheepsjournaals uit de zestiende eeuw, waarin veelal ellenlange beschrijvingen stonden van iedere afzonderlijke dag. Roeper denkt dat De Veer zelf bij het redigeren besloot uit de weiden vanaf het moment dat de schepelingen bij Spitsbergen voor de eerste problemen kwamen te staan.

Roeper, gespecialiseerd in zestiende-eeuwse reisliteratuur, schreef al eerder over Nederlandse ontdekkingsreizen in de Gouden Eeuw. Ze durft niet te zeggen of Gerrits achtergrond (hij was de zoon van de welgestelde Amsterdamse publicist en uitgever Ellert de Veer, die onder anderen geschriften van Erasmus vertaalde) een rol heeft gespeeld bij zijn schrijftalent. Maar zij denkt wel dat zijn boeiende verteltrant het dagboek bij het grote publiek in zijn tijd en in deze eeuw populair maakte.

Aan de vooravond van de viering van het Willem-Barentszjaar verschijnt de hertaling Om de Noord! van Roeper en Wildeman vandaag bij uitgeverij Sun in Nijmegen. Het Barentsz Comité herdenkt de overwintering op Nova Zembla tot augustus volgend jaar met een aantal exposities en publicaties.