Nieuw onderzoek legt feilen dateringen bloot; 'Floris V' chronische kwakkelaar

Onder een gedenksteen in de Nederlands Hervormde kerk in Rijnsburg liggen niet, zoals jarenlang gedacht, de stoffelijke resten van Floris V en nog vijftien leden van de grafelijke familie van Holland. Alle skeletten zijn honderden jaren ouder dan tot nu toe werd aangenomen. Het vermeende skelet van Floris V is van een man die ruim vijfhonderd jaar eerder geleefd moet hebben. Dit concluderen fysisch antropoloog G. Maat van de Rijksuniversiteit Leiden en amateurhistoricus E. Cordfunke, hoogleraar chemie en werkzaam bij het Energie Centrum Nederland in Petten.

In 1949 en 1951 hebben A.E. van Giffen, de toenmalige eerste man van de Nederlandse archeologie, en W. Glasbergen van de Universiteit van Amsterdam ten oosten van de Nederlands Hervormde Kerk in Rijnsburg de abdijkerk van de familie van Holland opgegraven. Uit bronnen was bekend dat de kerk daar in 1133 door gravin Petronella was gesticht, en dat in 1296 Floris V er was begraven. De archeologen vonden binnen de fundamenten van de kerk enkele menselijke skeletten in houten kisten op een rij. Hoewel grafgiften die met zekerheid iets over hun identiteit konden zeggen ontbraken, dachten de geleerden al snel aan Floris V en zijn familie. In wat ze graf 92 noemden, vonden ze een skelet dat sporen droeg van zwaardhouwen. Opwinding alom, zelfs het Polygoonjournaal kwam kijken.

Nader skeletonderzoek, in die tijd een vak apart, moest uitsluitsel geven. In dit geval verrichtte dr. B. Dijkstra, hoofd van de kliniek voor Keel-, Neus- en Oorkunde van de Rijksuniversiteit Groningen, het onderzoek van de opgegraven skeletten. Hij kwam tot de conclusie dat Floris V was gevonden. In het boek Graven en gravinnen van het Hollandse huis geeft hij zelfs een nauwkeurige beschrijving van de wijze waarop op 27 juni 1296 Floris V de fatale slagen zijn toegebracht. Dijkstra zei ook de meeste andere skeletten aan leden van de grafelijke familie te kunnen koppelen. Zo behoorde het skelet recht vóór het koor toe aan de abdis Ada, dochter van Aleid van Gelre en Willem I, die in 1257 was overleden.

Opgravingstekeningen

De publicatie van Dijkstra verscheen overigens pas in 1979, bijna dertig jaar na de opgravingen en vier jaar nadat in aanwezigheid van koningin Juliana de stoffelijke resten in de Nederlands Hervormde Kerk in Rijnsburg waren bijgezet. Het archeologisch onderzoek is, zoals wel vaker, nooit gepubliceerd; de opgravingstekeningen en de verslagen liggen op het Instituut voor Pre- en Protohistorische archeologie (IPP) in Amsterdam.

Na de verschijning van Dijkstra's publicatie was er vanuit fysisch antropologische kringen enige kritiek op enkele identificaties, 'maar,' zegt G. Maat, 'ik heb altijd gedacht dat we inderdaad te maken hadden met Floris V en zijn familie.'

Twijfel was dus niet de reden voor Maat en Cordfunke om een nieuw onderzoek te beginnen. Het is dit jaar zevenhonderd jaar geleden dat Floris V werd vermoord en dat was een mooie aanleiding enkele zaken nog eens nader te onderzoeken. Bronnenonderzoek had bijvoorbeeld duidelijk gemaakt dat Hendrik van Gelre niet, zoals eerder was aangenomen, al op jeugdige leeftijd was overleden. Het skelet van een jonge man dat aan hem was toegeschreven, kon dus niet van hem zijn geweest. Verder waren er indertijd wel C-14 monsters genomen, maar die hadden een oudere datering dan verwacht opgeleverd. Dat was toen geweten aan het feit dat ouder fossiel materiaal (grondwater, bomen en planten) zich aan de botten had gehecht.

Tegenwoordig is een zuivere C14-datering mogelijk, omdat er een monster wordt genomen van het collageen, de eiwitfractie in de botten. Ten slotte is het volgens Maat nog een kwestie van tijd voordat er DNA-onderzoek gedaan kan worden. 'Binnen tien jaar bestaat er een goede onderzoeksmethode', zegt Maat. Maar zolang wilde hij niet wachten. 'De botten waren herbegraven in polyester kistjes. Eén scheurtje en er komt vocht bij, met versnelde ontbinding als gevolg. Ik wilde de botmonsters veilig stellen, want zo'n unieke kans om archeologisch materiaal van één familie te onderzoeken zou ik niet snel weer krijgen.'

De gemeente Rijnsburg was gevoelig voor deze argumentatie en gaf toestemming de gedenkplaat te lichten. Er bleek een caisson van gewapend beton onder te zitten en er moest een drillboor aan te pas komen om een mangat te boren. Vervolgens wurmde Maat zich in de kleine ruimte met de kisten. Daar stond hij te midden van wat hij toen nog zag als de grafelijke familie. Hij zag al water staan. Snel gaf hij de kistjes aan, die met een busje naar het anatomisch laboratorium werden vervoerd.

Na opening van de kisten bleek het onderzoek geen moment te laat: op enkele botten zat nog klei en andere waren al nat. Maat zaagde uit alle dijbenen een klein stukje, stopte de monsters voor toekomstig DNA-onderzoek in plastic zakjes en stuurde de C-14 monsters naar het Van de Graaff Laboratorium voor subatomaire fysica van de Universiteit Utrecht.

Het eigenlijke botonderzoek, tegenwoordig volgens een gestandaardiseerde methode, kon beginnen. Het skelet van de vermeende Floris V bleek inderdaad toebehoord te hebben aan een 42-jarige man die door slagen in zijn nek om het leven is gebracht. De eerste twijfel kwam na röntgenonderzoek. Maat: 'Ik ontdekte 17 keer een groeivertraging. Bij walvisvaarders op Spitsbergen had ik er nooit meer dan drie of vier ontdekt. Floris V zou een chronisch zieke, kwakkelende figuur moeten zijn geweest of in zijn jeugd wel heel zwaar op de proef gesteld. Dat past niet bij mijn beeld van iemand uit een bevoorrechte familie.'

Toen hij de 'abdis Ada' had onderzocht, wist Maat zeker dat er iets mis was. 'Het bleek een man van 53 jaar te zijn, het bekken liet daarover geen misverstand.' In nog drie andere gevallen bleek de leeftijds- en/of geslachtsbepaling verkeerd. De 60-jarige Petronella was in feite een 37-jarige man, de 19-jarige Aleidis bleek een 57-jarige vrouw geweest te zijn en Floris IV was geen 24 maar 33 jaar. 'Dat laatste lijkt een klein verschil, maar juist in die jaren verandert een skelet nog veel,' licht Maat toe.

Toen kwamen de resultaten binnen van het C14-onderzoek. Maat: 'Bij de vermeende Floris V leverde dat de jaartallen 768-798 AD op. Ook alle andere skeletten bleken twee- tot vijfhonderd jaar ouder dan gedacht. Ze hebben een karolingisch grafveld opgegraven.'

Verkeerde eind

'Van Giffen en Glasbergen wisten dat er onder de kerk ook een karolingisch grafveld lag,' zegt professor A. Heidinga van het IPP. Hij heeft met Maats medeonderzoeker Cordfunke de archeologische tekeningen nog eens bekeken. Details in de profieltekeningen geven volgens hem reden tot twijfel, maar er zijn geen waterdichte bewijzen dat de archeologen het toen bij het verkeerde eind hadden. Nog steeds meent hij dat het skelet uit graf 92 dat van Floris de Vijfde is. 'Een skelet van een man van 42, met zwaardhouwen in zijn nek, op de plek waar Floris V volgens de bronnen begraven is. Het zou wel heel toevallig zijn als hij het niet was. Maar ik geef toe, het is een geloofskwestie.'

Maat reageert verbaasd. Hij toont een tekening met de vindplaatsen van de skeletten. 'De kisten liggen in de karolingische cultuurlaag, keurig op een rij die buiten de kerk doorloopt. Je ziet dat de kist van de vermeende Floris niet echt centraal ligt. En wat zegt zo'n ligging nou: Ada werd recht voor het koor gevonden en dat blijkt een man geweest te zijn. Verder is een skelet onder de kerkmuren gevonden: de kerk is dus later gebouwd. Volgens de C-14 datering is dit skelet jonger dan dat van de vermeende Floris V. Dit is niet met elkaar te rijmen.'

Heidinga is sceptisch over C-14 onderzoek. 'Het is niet altijd betrouwbaar. Een vis van nu blijkt bij meting een paar eeuwen oud.' Hans van de Plicht van het C-14 laboratorium van de Rijksuniversiteit Groningen bevestigt dit: 'De fossiele resten in water geven een schijnbare ouderdom aan vissen en dus ook aan de mensen die ze eten. Het is nog onduidelijk hoe groot de invloed is, maar ik hou bij menselijke botten een marge van honderd tot tweehonderd jaar aan. Een foutmarge van meer dan vijfhonderd jaar acht ik onwaarschijnlijk.' Maat voegt daar aan toe dat enkele jaren geleden C-14 datering van het borstbeen van de elders begraven Floris I (overleden in 1061) min of meer wel de verwachte jaartallen heeft opgeleverd: 989-1032.

Maat is niet gelukkig met zijn bevindingen. 'Ik had subsidie willen aanvragen om het DNA-onderzoek te pushen.' Hij beticht niemand van kwade wil, maar het heeft er toch alle schijn van dat men zich in de jaren vijftig na de vondst van een skelet met zwaardhouwen heeft laten meeslepen. Met als gevolg een spelletje kwartetten: welke skeletten hebben we en welke graven en gravinnen passen daar bij?