Nederland en Europa

HET NATIONALE debat over Europa verloopt moeizaam. Als het al op het politieke niveau wordt gevoerd, is het voornamelijk buiten het parlement - daarvoor toch bij uitstek de geëigende plaats. Kennelijk is er weinig geleerd van de gang van zaken rond het Verdrag van Maastricht in 1991. Over dat verdrag, waarmee op de keper beschouwd een deel van de Nederlandse soevereiniteit werd opgegeven, discussieerde indertijd een handjevol fractiespecialisten in een verder geheel verlaten vergaderzaal. Aan de vooravond van een nieuwe Intergouvernementele Conferentie (IGC) van de Europese Unie, die morgen in Turijn begint, was het niet anders. Want dat er gisteren in de Tweede Kamer een fundamenteel debat over Europa plaatshad, kan nauwelijks worden beweerd. Het was een samenzijn van de Euro-specialisten, waarbij vooral werd terugverwezen en doorverwezen.

Over de toekomst van de Europese integratie zijn wel degelijk fundamentele vragen te stellen. Vorige week hekelde VVD-leider Bolkestein met een toespraak in Brussel voor het Vlaams Ekonomisch Verbond onder andere het voornemen van de Nederlandse regering om bij toekomstige besluitvorming in de Europese Unie de unanimiteitsgedachte los te laten. Voorts plaatste hij de nodige kanttekeningen bij de uitbreiding van het werkterrein van de Europese Unie. De echo van zijn woorden klonk gisteren zo nu en dan door in de Tweede Kamer. Maar juist omdat zijn kritiek dermate principieel van aard is, valt het te betreuren dat Bolkestein - en ook zijn collega-fractievoorzitters - niet zelf aanwezig waren. De plaats en positie van Nederland in een steeds groter en steeds verder integrerend Europa verdient een volwaardig debat. DES TEMEER omdat, als het over Europa gaat, er toch al sprake is van zeer diffuse besluitvorming. Voor een deel is dit onvermijdelijk. De parlementaire controle voorzover het verdragen met andere landen betreft, heeft per definitie een 'achteraf-karakter'. Juist wegens dit gegeven is zoveel mogelijk helderheid over de onderhandelingsinzet vooraf een vereiste.

De zaak is qua doorzichtige besluitvorming verder gecompliceerd geworden doordat de Tweede Kamer met het ongemakkelijke feit zit dat er behalve van een Nederlandse inzet, sinds begin deze maand ook nog een standpuntbepaling van de Benelux-landen ligt. De wijze waarop dit Benelux-memorandum, althans wat Nederland betreft, tot stand is gekomen, verraadt verdeeldheid en wantrouwen binnen het kabinet over de Nederlandse opstelling. Ministers die door de aard van hun portefeuille nauw betrokken zijn bij het Europese beleid (al was het maar omdat dit de financiële aspecten ervan betreft) waren niet op de hoogte van de inhoudelijke voorbereidingen. Het Benelux-memorandum werd kennelijk opgesteld door Buitenlandse Zaken en Algemene Zaken en het wijkt sterk af van de terughoudende toon waarvoor het kabinet eerder had gekozen ten aanzien van de aanbevelingen voor de IGC.

Het 'België-gehalte' is in het Benelux-rapport aanzienlijk verhoogd. Dat wil zeggen: een grote nadruk op een communautaire Unie met - niet toevallig - versterking van de Brusselse instituties. Gezien de opstelling van de andere lidstaten dreigt daarmee een herhaling van de IGC in 1991, toen alleen de Belgen bereid waren de Nederlandse voorstellen voor een sterk federale inslag van de beoogde politieke unie te steunen. Ook over deze spagaat in de Nederlandse opstelling had de Kamer zich in kritische zin moeten buigen.