Liefdevol klungelig

'Fries kerfsnee-aardewerk 1750-1950', t/m 2 juni in: Keramiekmuseum het Princessehof, Grote Kerkstraat 11, Leeuwarden. Ma t/m za 10-17u, zo 14-17u. Catalogus ƒ 32,50.

Net als andere vormen van volkskunst had het kerfsnee-aardewerk in de loop van de 19de eeuw een zachte dood moeten sterven. De vergieten, theelichtjes en stooftesten (potjes die met gloeiende kooltjes in een stoof werden gezet) van witbakkende klei, groen of geel geglazuurd, van onder tot boven ingesneden met geometrische motieven, hoorden niet meer thuis in de tijd van het automobiel en de telefoon. Dat kan elke bezoeker van het Keramiekmuseum Het Princessehof in Leeuwarden constateren, hoe roerend sommige van de voorwerpen ook mogen zijn. Vooral het 19de-eeuwse huisraad, vaak op bestelling gemaakt, is in zijn liefdevolle klungeligheid aandoenlijk. Gemaakt voor de gewone man, het mocht immers niet veel kosten. En omdat de 'snijders' niet door de klei heen mochten prikken, zijn de voorwerpen noodgedwongen dikwandig, dus weinig elegant.

In het Princessehof, waar honderden stukken in chronologische volgorde staan opgesteld, krijgt de bezoeker een overdosis die op de lachspieren werkt. Maar de lachlust vergaat hem bij lezing van de catalogus. Auteurs Adri van der Meulen en Paul Smeele deden uitstekend onderzoek naar deze ondercategorie van Nederlands aardewerk. Met grote speurzin inventariseerden en bestudeerden de auteurs alle voorwerpen, doken zij archieven in en reconstrueerden zij produktiecentra en stijlontwikkelingen.

De geschiedenis is tamelijk absurd. Kerfsnee-aardewerk uit Friesland is bekend vanaf 1690. Tot 1892 was Workum het belangrijkste produktiecentrum: slechts enkele tientallen stukken van voor 1890 zijn overgeleverd. Rond 1892 experimenteerde de jonge pottenbakker Cornelis Steenstra uit het Friese Lemmer met kerfsnee. De plaatselijke dominee had er aardigheid in en bracht hem in contact met de Haarlemse Maatschappij ter bevordering van de Nijverheid. Deze maatschappij wilde in de 19de eeuw de Nederlandse kunstnijverheid artistiek en economisch verheffen, onder meer door het organiseren van nijverheidstentoonstellingen. Zo bevorderde de maatschappij in de jaren 1880 de uitstervende 'inlandse' houtsnijkunst. Er verschenen voorbeeldboekjes, modern houtsnijwerk was te zien op tentoonstellingen en de houtsnijhobby woekerde in vele Nederlandse huiskamers. Het kerfsnee-aardewerk van Steenstra, met zijn vele aan het houtsnijwerk ontleende motieven, sloot aan bij die rage en werd op diverse nijverheidstentoonstellingen bekroond.

Een korte periode (van 1892 tot aan de Eerste Wereldoorlog) raakte het 'snijwerk' ook buiten Friesland in de mode. Het was niet langer eenkleurig maar bontbeschilderd, in geel, groen, bruin en blauw; het werd fijner gesneden in modieuze modellen: cachepots (plantepotten), vazen en bloempotstandaarden voor in de Hollandse serres. Vooraanstaande firma's in kunstnijverheidsprodukten verkochten het tot in het buitenland. De enkele pottenbakkersbedrijfjes die het vervaardigden, konden de vraag niet bijbenen. Op de tentoonstelling blijkt het werk ook in deze periode van wisselende kwaliteit te zijn. De kleuren zijn vaak al te bont en zonder veel esthetisch inzicht aangebracht. Na 1920 halen de produkten zelden het niveau van rond 1900.

Alleen bij een technisch perfecte uitvoering is het kerfsnee-aardewerk naar de huidige smaak verteerbaar. Met zijn veelheid aan motieven en kleuren ontbeert het vaak rust en eenheid. Enkele makers weten de techniek zo toe te passen dat een artistieke meerwaarde ontstaat. Bij de traditionele stukken geldt dat voor de pronkvergieten; eenkleurige, holle, geperforeerde schotels met twee oren, die evenzeer bedoeld waren om naar te kijken als om te worden gebruikt. Voor de 'nieuwe periode' springt het werk van Klaas Mobach (1855-1928) eruit. Hij gebruikte weliswaar de kerfsneestijl, maar het resultaat doet eerder denken aan Jugendstil dan aan de laatste stuiptrekkingen van een Friese volkskunst. Het kleurverloop is subtiel en ondersteunt de motieven, die Mobach in een krachtig decoratief schema zet. Hier is de traditie naar de eigen hand gezet, in plaats van andersom.