Kennis in de schaduw van morgen

Minister Ritzen begon gisteren het 'kennisdebat'. Hoe ziet de samenleving er in 2010 uit? Wat voor kennis hebben we dan nodig? Vooral menselijke kennis, aldus het 'basisdocument'.

Kennis voor morgen. Bouwstenen voor het kennisdebat. SDU-DOP 1996 ƒ 35,- 163 blz. ISBN 90 346 3276 8

Waar moet het heen met de kennismaatschappij? Naar 'levenslang leren' en 'meer aandacht voor psycho-sociale vaardigheden'. Tenminste, die twee punten vormen de rode draad in de gevariëerde beschouwingen in Kennis voor morgen, de gisteren verschenen bundel die in opdracht van minister Ritzen (Onderwijs) is samengesteld - als 'bouwsteen' voor het 'kennisdebat' dat de minister de komende 12 maanden wil voeren.

De ethica H.M. Dupuis, de economen L.J. Emmerij en J. Hartog, de schrijver A. Ramdas, de ondernemer S.C. Toth en de socioloog A.C. Zijderveld schreven alle zes een essay. Wie ze leest, weet twee dingen: onderwijs en werken moeten veel flexibeler worden, maar als we niet uitkijken weten we in 2010 in Nederland niet meer waarom we eigenlijk nog leven. Als deze bundel maatgevend is voor het debat dat Ritzen in Nederland wil opwekken, staat ons zowaar een bezinning te wachten op de fundamenten van het moderne levensgevoel.

Samenhang

Kennis voor morgen gaat nauwelijks over 'productie van kennis' of over dalende investeringen in research and development ten opzichte van Korea en Singapore - de gewone thema's waaraan we in dit soort beschouwingen inmiddels wel gewend zijn geraakt. In Ritzens kennisdebat moet het vooral gaan over de omgang met kennis en over het dreigende gebrek aan samenhang in de economische en culturele ontwikkelingen. Het moet anders. “Het beeld doemt op van een weliswaar democratische en vrije samenleving, waarin evenwel door de elektronische media massa's informatie over de burgers worden uitgestort die zij niet of met de grootste moeite kunnen verwerken en tot bruikbare kennis omsmeden”, zo schrijft Zijderveld.

De kennis van mens en maatschappij blijft achter bij de technische kennis, aldus Dupuis in haar essay: zonder 'integratie' ligt volgens haar een 'zeer eenzijdige ontwikkeling' in het verschiet. En Anil Ramdas beschrijft aan de hand van zijn familiegeschiedenis en eigen belevenissen de kracht maar ook de zelfgenoegzaamheid en onvolledigheid van de Westerse rationale kennis. “In het tijdperk van het kolonialisme en de overheersing van de aarde door het Westen viel dat niemand op”, aldus de Nederlands-Surinaamse schrijver. “Maar nu de aarde krimpt, nu vreemdelingen naar het Westen toe komen en westerlingen naar den vreemde kunnen gaan, met het gemak van fax, e-mail en goedkope chartervluchten, voldoet die houding niet langer. Westerlingen zullen hun kennis van de wereld drastisch moeten veranderen en vermeerderen, tenzij hun aanspraak op beschaving willen verliezen en door het leven willen gaan als schelmen, met verbrokkelde inzichten en fragmentarische visies.”

Het in november door Ritzen onverhoeds aangekondigde en gisteren met een bijeenkomst in Delft daadwerkelijk begonnen 'kennisdebat' gaat - als het allemaal lukt - dus over veel meer dan alleen onderwijs.

Vorige week sprak minister Ritzen op de opiniepagina van deze krant al zijn zorgen uit over de groeiende onverschilligheid ten aanzien van wetenschap en technologie. Met dit veel bredere, culturele 'kennisdebat' lijkt Ritzen allereerst de publieke opinie te willen mobiliseren om te voorkomen dat die onverschilligheid bij de volgende kabinetsformatie (normaal gesproken in 1998) zal leiden tot nieuwe, gevaarlijke aanslagen op de begroting van Onderwijs, na de zware charge van anderhalve miljard gulden in 1994. Maar blijkens Kennis voor morgen zal Ritzens 'kennisdebat' veel verder moeten gaan dan legitimering van de bestaande onderwijsuitgaven. Het is een cultureel zelfonderzoek naar een sluipende revolutie.

“Het bolwerk van haar technische volmaking en haar economische en politieke effectiviteit vrijwaart onze cultuur in geenen deele voor barbariseering”, schreef cultuurhistoricus J. Huizinga in 1935 in zijn sombere bestseller In de schaduwen van morgen. Sindsdien is er veel veranderd, maar ook nu wordt de angst voor culturele desintegratie weer breed gedeeld. Want uit een in Kennis voor morgen gepubliceerde 'publieksonderzoek' - op basis van gesprekken en discussies met 40 respondenten als 'een zo goed mogelijke doorsnee van de bevolking' - rijzen vooral 'schaduwen van morgen' omhoog.

De kloof tussen maatschappelijke boven- en onderlaag zal in 2010 zijn toegenomen, is de verwachting. En als paradoxaal gevolg van de dan vrijwel onbeperkte elektronische communicatiemogelijkheden vreest het panel - door het 'thuiswerken' - voor verarming van de sociale contacten en sociale vaardigheden, en voor grote eenzaamheid in bepaalde bevolkingsgroepen.

Bezorgd

En niet alleen 'gewone mensen' zijn bezorgd. “Als de mens in de stormachtige ontwikkelingen geen rust en evenwicht zou kunnen vinden, draait hij dol. Daarom moeten prioriteiten worden gesteld, die de burgers in 2010 'tijd van leven' geven en de mogelijkheid bieden in de menselijke verhoudingen te investeren”, zo staat te lezen achterin het boek als een van de conclusies van de ronde-tafelgesprekken die Ritzen ter voorbereiding van het kennisdebat hield met tientallen wetenschappelijke en maatschappelijke figuren - variërend van de psychologe R. Kohnstamm en VNO-voorzitter A. Rinnooy Kan tot ds. J. Zeilstra uit Hilversum en burgemeester G. Faber van Zeewolde. “Het is belangrijk dat mensen reeds van jongs af aan leren omgaan met de onvermijdelijke onrust in hun leven. Ook mag de menselijke maat als uiteindelijke kritisch punt niet worden verwaarloosd”, aldus het verslag.

Op basis van een zevental thema's, de essays en het publieksonderzoek zal een onafhankelijke bureau een jaar lang discussies organiseren en stimuleren, onder meer via een 'Kenniskrant', maar ook via Internet (http:// www. kennisdebat. minocw. nl). Het ministerie wacht gespannen af.

In het beste geval leidt het debat tot consensus over de richting van de maatschappelijke ontwikkeling, zo valt te beluisteren in Zoetermeer. Hopelijk leidt het in ieder geval tot een sense of urgency. In het slechtste geval gaat het debat ten onder aan zijn eigen gewicht omdat de brede thematiek verzandt in vaagheid. Dan is helaas een paar miljoen gulden over de balk gegooid.

Aan de essays zal het niet liggen. Die zijn scherpzinnig en prikkelend, op de enigszins clichématige 'flexibiliteitsprediking' van S. Toth na. Maar zelfs die beschouwing is interessant als beschrijving van het main stream-denken over de toekomst: “Iedere opleiding, ook een beroepsopleiding, is niet meer dan een basis voor lifelong learning.”

Met een bredere blik schrijft de econoom Van Emmerij: “De zegen van de technologische vooruitgang is tot een vloek geworden door gebrek aan inzicht en organisatorische vaardigheden van mensen”. Van Emmerij is al decennia actief in internationale economische onderzoeksorganisaties, zoals het Institute of Social Studies in Den Haag en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs. “We produceren inderdaad meer met minder inspanning, in minder tijd, maar het resultaat hiervan wordt totaal verkeerd verdeeld.” Gevolg: “de vloek van hoge percentages open en verborgen werkloosheid in de geïndustrialiseerde landen”.

Nachtmerrie

Dat de droom is omgeslagen in een nachtmerrie ligt niet aan de technologie, aldus Van Emmerij, maar aan verouderde economische ideeën. “Het is steeds hetzelfde liedje.” Om die impasse te doorbreken bepleit Van Emmerij een “rigoreuze ommekeer” van het onderwijsstelsel. De drie nu streng gescheiden levensperioden 'schooltijd', 'werkend leven' en 'pensioen', dienen te worden doorbroken. Iemand zou dan op 30-jarige leeftijd zes maanden vervroegd pensioen kunnen nemen om (weer) verder te studeren.

Ook volgens de econoom J. Hartog is er meer behoefte aan goede managers dan aan goede technici. Hij relativeert de vele veranderingen van de laatste jaren. “Nieuwe technieken vragen nieuwe vaardigheden, maar die liggen over langere periode bezien niet eenzijdig hoger of lager dan de bestaande vaardigheidsniveaus.” Ook constateert hij dat de huidige onstandigheden juist niet vragen om snel van baan wisselende werknemers maar om 'baanzekerheid'. “Alleen als de werknemer weet dat zijn/haar baan niet bedreigd wordt door de veranderingen en de stijging van de arbeidsproductiviteit, is de werknemer bereid om voortdurend zelf een bijdrage te leveren aan die veranderingen.”

Vraagteken

Zelfs plaatst Hartog vraagtekens bij de alom heersende zorg over de daling van investeringen in onderzoek en ontwikkeling. “Er is een enorme toename in de omvang van de wetenschapsbeoefening, er is snelle vooruitgang op alle belangrijke technologiegebieden en zijn meer dan ooit mogelijkheden om bestaande kennis toe te passen. Er is dus zo veel te doen met de beschikbare mogelijkheden dat investeren in de lange termijn overbodige luxe is.”

De ethica H. Dupuis pleit voor een meer normbewust onderwijs, met veel meer nadruk op het 'psycho-sociaal' functioneren van mensen. “De alfa- en gamma-vakken hebben een relatieve achterstand opgelopen.” Veel van de weerzin tegen 'moralistische scholen' is volgens haar gebaseerd op een misverstand, “namelijk dat moraal vooral privé- en gezinsmoraal zou betreffen”. Maar in het onderwijs gaat het juist om de publieke moraal. Ze hekelt de “huidige tendens tot minimalisme die allerwegen in het onderwijs toeslaat.”

De socioloog Zijderveld deelt Dupuis' nadruk op waarden en normen. Door de informatie-explosie liggen morele onzekerheid en frustratie constant op de loer. Om aan die dreigende 'onthumanisering en subjectivering' weerstand te bieden moeten de gamma-wetenschappen (sociologie, economie, psychologie en geschiedenis) zich meer dan ooit toeleggen op 'samenhangende kennis'. Blijft de gamma-wetenschap “zich primair richten op het verzamelen van feiten en data die hooguit in academische circuits worden gepubliceerd, besproken en geduid, dan zal zij door de samenleving als nutteloos en onbruikbaar terzijde worden geschoven” - aldus de decaan-beheerder van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam.