Je durft niet meester?

In deze brugklas zit links vooraan in een bank, met levendige blik, de Marokkaanse leerling Wahed. Wahed reikt tot mijn broekzak maar men behoeft Wahed maar één keer aan te kijken om te weten dat het ventje, hoe klein nog van formaat, bij voorkeur hoog spel speelt. Wel, daar leen ik mij graag voor. Zo weet Wahed heel goed dat hij docenten met u behoort aan te spreken - en toch zegt hij altijd je. Het kan mij weinig schelen maar provocaties afkomstig van Wahed amuseren mij nu eenmaal en dus, als hij bijvoorbeeld zegt: “Meester, je hebt geen huiswerk gegeven hoor”, antwoord ik, met opgetrokken wenkbrauwen: “Pardon?”

Een stuiptrekking trekt door het lichaam van Wahed - teken van opwinding en plezier - en hij schreeuwt bijna: “U hebt geen huiswerk gegeven.”

Ikzelf verraad geen emotie, knik, en wend mijn blik af. Op dat moment hoor ik Wahed er nog net hoorbaar aan toevoegen: “Je vergeet altijd huiswerk te geven.”

Ik kijk Wahed lang aan; ook hij kijkt mij aan, met in zijn wijdopen ogen zoveel onschuld als hij in staat is te veinzen. “Pardon?” zeg ik uiteindelijk.

Nu pas bekent Wahed schuld: “U vergeet altijd huiswerk te geven.”

Dit spelletje spelen wij dagelijks.

Zoals Wahed ervan houdt mij te provoceren, zo houd ik ervan Wahed te provoceren. Wahed daagt mij uit, daagt mij uit hem uit te dagen, en ik daag Wahed uit en daag hem uit mij uit te dagen. Soms is het niet meer zo duidelijk wie nu wie uitdaagt.

“Ik ram je meester.”

Het komt uit het niets, zomaar, halverwege de les. Ik loop langs hem en hij zegt: “Ik ram je meester.” Waar haalt hij het vandaan? Afwachtend, gespannen, kijkt hij mij aan. Zijn mond lijkt al bijna te lachen.

Ik zeg: “Je moet een beetje oppassen met mij Wahed, ik was vroeger Noordhollands kampioen boksen.”

Onmiddellijk barst hij uit in een schaterlach. Wahed waardeert de goede grap - en lacht mij tegelijkertijd uit. Ik blijf achter met de vraag hoe Wahed zo zeker weet dat ik vroeger geen kampioen boksen ben geweest.

Aan het begin van de volgende les daagt Wahed mij weer uit, ditmaal door mij een stomp te geven, direct weg te springen (buiten bereik van mijn armen) en mij te waarschuwen: “Je moet ook oppassen voor mij meester, ik ben ook Noordhollands kampioen boksen.” Op zo'n moment vertedert Wahed mij met zijn onhandige na-aperij. Ik vind het leuk uit zijn mond precies mijn eigen zin terug te horen, met ook dat Noordhollands.

Ik wil niet vechten in de klas en zeg: “Nee Wahed, ik vecht niet met jou.”

“Je durft niet meester?” zegt Wahed, maar ik draai mij om. Dan hoor ik achter mijn rug Wahed zacht zeggen: “Omdat je een flikker bent...”

Dat kan ik niet ongehoord laten, en ik draai mij weer om. Wahed heeft weer dat brutale, afwachtende gezicht, dat op de rand van lachen staat. “Inderdaad”, zeg ik, “hoe weet je dat?” - wat weer reden voor Wahed is, na even heel verbaasd te kijken, in lachen uit te barsten.

Na schooltijd zijn wij nog niet van elkaar af. Ik fiets naar huis door een rustige straat vol geparkeerde auto's. Wahed loopt alleen op het trottoir, zijn rugtasje op zijn rug. “Sukkel!” roept hij als hij me ziet langskomen. “Pak me dan.”

Ik stop abrupt op het midden van de weg. Als Wahed dat ziet begint hij te lachen, houdt zich renklaar, en roept weer: “Pak me dan meester, je krijgt me toch niet te pakken!”

“Je weet Wahed”, roep ik, “dat als ik nu afstap en achter je aankom, ik je zo te pakken heb.”

Wahed weet dat. Toch lacht hij hard, overdreven, en gooit er nog een schepje bovenop. “Pak me dan meester, je krijgt een tientje van me!”

Ik stap weer op mijn fiets en bonk tussen twee auto's de stoep op. Wahed staat alweer tien meter verder. Ik rijd achter hem aan. Hij rent weer weg en schiet, als ik vlakbij hem ben, achter een auto. Ik besef dat ik hem hier, bij al die auto's, nooit te pakken krijg en rijd de straat weer op. Wahed ziet dat ik opgeef.

“Pak me dan meester, een tientje, je krijgt een tientje van me!”

Ik fiets langzaam verder. Wahed loopt in draf met mij mee: “Pak me dan meester, je krijgt...”

Dan, bij een hoek aangekomen, schiet ik plots de stoep weer op. Hier is het trottoir verbreed en staan geen auto's geparkeerd. Wahed ziet ook dat de afstand tussen hem en de auto's te groot is geworden. Er is niets dat hem hier beschutting biedt. Ik fiets zo snel mogelijk op hem af, hij rent zo snel mogelijk voor mij uit; als ik vlakbij hem ben, slaat hij een haak, als een haas op de vlucht, en schiet ik hem voorbij. Even was er iets van angst in zijn ogen, was er een moment van spanning. Maar onmiddellijk roept hij weer: “Je krijgt me toch niet te pakken meester, je krijgt een tientje van me!”

Wahed zoekt de spanning: ik voer die graag voor hem op. Leuker echter vind ik het het rakkertje in verwarring te brengen; de wereld, even maar, op z'n kop te zetten, om achter die bruine, brutale ogen, het raderwerk op volle toeren te zien draaien.

Ik vraag Wahed, als wij het woord 'solutie' tegenkomen in een tekst over het plakken van een band, of hij weet wat dat is.

“Jaah... dat is eh... gereedschap.” Wahed bekent niet graag dat hij niet weet wat iets is.

“Gereedschap...”, herhaal ik. “Als je daarmee lijm bedoelt is het goed. Bedoelde je dat?”

“Eh... Ja natuurlijk meester, lijm, dat bedoelde ik.”

“Dat vind ik heel goed van jou Wahed”, zeg ik ernstig, “dat je weet dat solutie lijm is. Heel goed.”

Wahed staart mij aan. Even heeft hij al zijn intelligentie, al zijn zintuigen nodig om erachter te komen wat hier nu aan de hand is. Ik zeg nog eens, ditmaal tegen de hele klas: “Heel goed. Ik denk dat niemand dat wist. Wahed krijgt een plusje van me.”

Ik zie, zonder Wahed aan te kijken, dat hij dubbelklapt van plezier en snel een blik van verstandhouding met de klas wisselt. Daarna kijkt hij weer naar mij, zijn gezicht een monument van onschuld. Ik doe alsof het mij allemaal ontgaat, open mijn agenda en noteer een plus achter de naam van Wahed. Dan zeg ik, weer tegen de hele klas: “Ik hoop dat vandaag nog meer leerlingen net zulke goede antwoorden zullen geven als Wahed, zodat ik nog meer plusjes kan uitdelen.” Ik knik Wahed toe, bij wijze van compliment. De kleine jongen beantwoordt mijn knik met een zo ernstig mogelijk gezicht, en knikt zelfs terug: geen dank meester. Het is niets.