Door aandringen onthand

'Een geur van hooger honing/ Verbitterde de bloemen', dichtte M. Nijhoff en S. Vestdijk gebruikte de regels als 'hoogst instructief voorbeeld' om het verschil tussen poëtische kunsttaal, retoriek en de toepassing van 'overgeleverde beeldspraak, de staande uitdrukkingen, de gedachteloos gebruikte zegswijzen van u en mij' aan te tonen. Iemand verbitteren, schreef Vestdijk, betekent iemand boos of wrokkig maken. 'Maar in het vers is dit onmogelijk, want het gáát helemaal niet over deze bloemen, en nog minder over bloemen die boos worden; het gaat alleen over de dwaze bijen die door de 'geur van hooger honing' alle smaak verloren hebben in de gewone bloemenhoning, waar zij tot dusverre van leefden' (De glanzende kiemcel). Allemaal waar. Maar: waarom veroorzaakt die smaakverandering bij de bijen geen verbittering? Zij zijn toch de pineut? De aanpalende regels luiden immers 'Een geur van hooger honing/ Verdreef ons uit de woning'. Dakloos dolend worden zij (lees: wij) daarna 'in het azuur bevroren' en ook nog 'jubelend voortgedreven', 'naar het ontwijkend teeken' - tot de dood er op volgt. Toegegeven, ook verbittering had hun niet het leven gered; een doorsnee bij leeft nu eenmaal kort. Alleen een koningin kan drie tot vijf keer haar verjaardag vieren.

Nijhoffs dwaze bijen zijn, gezien de vorm van hun trip, bezig met een bruidsvlucht. De andere mogelijkheid, uitzwermen wegens ruimtegebrek, voert bijen namelijk niet in de hoogte - 'en helderder doorschenen' slaat op de zon, 'het ontwijkend teeken'. Het bijzondere van de bruidsvlucht is dat slechts de sterkste dar de loopse koningin op die tocht kan bijhouden. Het stel copuleert in de ijlte en hij wordt daarbij inderdaad zoals Nijhoff schreef 'ontlijfd'. Hun zoete versmelting kost hem namelijk zijn klok- en hamerspel, ontmand dwarrelt hij naar beneden terwijl zijn geslachtsdeel vlijtig doorgaat met ejaculeren. De koningin zit nog jarenlang met zijn zaad opgezadeld. Duizenden eitjes worden ermee bevrucht. Zij heeft er letterlijk de buik van vol: na het verlies van haar maagdelijkheid verlaat ze nimmer het pand. Ze wordt een koninklijke huismus. Het is onnodig haar, zoals Vergilius in Georgica adviseerde, de vleugels uit te trekken. Publius Vergilius Maro (70-19 v. Chr.) dacht trouwens dat de bruidsvlucht een stoere koningsstrijd was: 'Vlak voor de koningscel, rondom de koning warrelt/ de dichte zwerm, met luid gegons de vijand tartend. (-) 't gevecht begint: hoog in het luchtruim/ zoemt het - de strijd verdicht zich tot een warrelend kluwen./ Zij tuimelen sneuvelend: hagel valt niet dichter'. Volgens de vertaling van dr. Ida Gerhardt schreef Vergilius in regel 148: 'dit worde een lied voor anderen na mij'. Nijhoff ontleende voor zijn gedicht 'Het lied der dwaze bijen' bitter weinig aan Vergilius. Het expliciet stichtende van Vergilius schittert bij Nijhoff door afwezigheid. Overigens zag de Romeinse bard het verschil niet tussen een vlieg en een bij: 'Het rottend vlees der koeienlijven wemelt/ van bijen, bruisende uit de doorboorde flanken'. Vegetarische aaseters!

Bitter is ook de toon van de brief die Nijhoff stuurde aan een ongeduldige almanakredacteur die liet weten 'met bijna lichamelijke smart' op het toegezegde gedicht te wachten. Nijhoff reageerde op de storing als door een wesp gestoken: 'Het is eenvoudig onbeschaamd, je hebt de overige acht strofen van mijn bijenlied kalm laten weggonzen, en daar zit ik nu met een allerakeligst gevoel van ijle naweeën als na een bevalling, volkomen onnoodig vervroegd'. De redacteur als aborteur en de dichter als huiselijke Ikarus, niet door hitte onthand maar door aandringen.

'Zoudt gij wel gelooven, kind! dat uw gedrag mijn leven verbittert?' schreef Loosjes volgens het WNT. En Kist dreigde: 'Ik zou u nu met verwijtingen kunnen overladen, ik zou nu uw leven, dat reeds voor het grootste gedeelte ten einde is geloopen, kunnen verbitteren'. Ober! Een portie bitterballen alstublieft en ja, doe er gerust een handvol bitterkoekjes bij. Mij een biet. 'Naer groote maeltijden, bancketten, danssen, spelen, ende meest naer oneerlijcke wellustigheydt, daer volght ghemeynelijk verbittertheydt des ghemoedts ongherustheydt van conscientie', nietwaar?

Nijhoffs bijen zijn niet verbitterd omdat gemoed noch geweten op dat moment telde. Alles draaide om de geur van hoger honing; maar is het onbesuisde verlangen naar de odeur van het hogere werkelijk voldoende om de vertrouwde korf te verlaten? Omdat de ultieme nectar in ieders leven nu eenmaal tantalisch onbereikbaar blijft wilden ze, volgens mij, in feite van harte gaarne het in de hoogte doen en zo een korf vol kroost oogsten.