De edelmetalen gebruiks- voorwerpen van Jan Eisenloeffel; Een sobere vernieuwer

De sociaal-democratische edelsmid Jan Eisenloeffel (1876 - 1957) koesterde idealen van simpele vormen en betaal- bare voorwerpen voor de gewone man, maar zijn ontwerpen vielen vooral bij welgestelden in de smaak. Zijn tafelgereedschap ligt nu in het museum.

Singer Museum, Oude Drift 1, Laren, di t/m za 11-17u, zo 12-17u. Inl 035-5315656. Het boek bij de expositie, geschreven door Annelies Krekel en Emke Raassen, verscheen bij Waanders en kost ƒ 75. In het museum is ook een paperbackeditie (ƒ 49,95) te koop. De expositie zal hierna nog te zien zijn in Assen, Gent en München.

Jan Eisenloeffel: voluit en zichtbaar prijkt zijn naam in een rond stempeltje op de meeste voorwerpen die hij heeft voortgebracht. Als deze man, succesvol ontwerper van gebruiksvoorwerpen in zilver en andere metalen, ooit grapjes over zijn naam - 'ijzeren lepel' - heeft gehoord, heeft hem dat vast niet erg gedeerd.

Op de tentoonstelling die in het Singer Museum te Laren is gewijd aan het werk van Eisenloeffel (1876-1957) zijn wel lepels te zien, maar niet van ijzer. Wel een opvallende van zilver, met een golvend randje en een adembenemend dunne, lange steel, uitlopend in een vlamvormige verbreding. Een morellenlepel is het - een van die tientallen soorten gereedschap, van botermesjes tot zuurvorken, die de bourgeoisie heeft uitgevonden ter verfijning van haar tafelcultuur.

Maar sierlijke voorwerpen maken voor de hogere burgerij was Eisenloeffels ideaal niet. Hij was een sociaal bewogen man, vooral sinds hij op een studiereis in het Tsaristische Rusland de schrijnende welvaartsverschillen in dat land had gezien. Dat was rond 1898. In de tien jaar die daarop volgden heeft Eisenloeffel meegedaan aan verschillende initiatieven om goede ontwerpkunst bereikbaar te maken voor de 'kleine man', en zo mogelijk de arbeider. Hij was lid van de SDAP en trouwde met een prominente partijgenote, Liede Tilanus (1871-1953), die lange tijd lid was van de Amsterdamse gemeenteraad. Hij werkte mee aan 't Binnenhuis en De Woning, bedrijven die stonden voor een nieuwe, moderne vormgeving. Ook was hij mede-oprichter van de VANK, de Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst, die ijverde voor de rechten van ontwerpers in een tijd waarin het massaprodukt sterk in opkomst was.

Maar zoals die dingen vaak gaan, ging het ook bij hem: Eisenloeffels fraaie tafelgerei, zijn sobere serviezen met een enkel geometrisch ornamentje, vonden toch de meeste bewonderaars in de 'betere kringen'. De arbeiders besteedden hun geld liever aan krullen en tierelantijnen.

Succes had Eisenloeffel wel degelijk. Er werd lovend over hem geschreven, hij kreeg opdrachten en was bepaald niet het miskende genie waarvoor hij later wel is uitgemaakt. In 1901 kreeg Koningin Wilhelmina ter gelegenheid van haar huwelijk van de stad Amsterdam een groot zilveren tafelgarnituur, ontworpen door Eisenloeffel.

Bij particulieren deed vooral het gladde theepotje met zijn afgeplatte deksel, in allerlei varianten, het goed. Op de huidige tentoonstelling in Laren wordt een klassiek Japans theepotje van porselein getoond dat er sterk op lijkt. Eisenloeffel was niet de enige edelsmid die zich al een eeuw geleden liet inspireren door voorwerpen uit het verre Oosten. Die voorwerpen kan hij gezien hebben op wereldtentoonstellingen zoals die in Parijs, 1900, waar hij zelf ook exposeerde.

Ook zijn ontwerpen in andere metalen - pleet, koper, messing - vonden goede afzet, onder andere via de firma C. Hoyng, de voorloper van Blokker. Tot Eisenloeffels ergernis werden zij ook veel nagemaakt, wat mede verklaart waarom hij zijn naamstempel zo pontificaal, soms midden in een ornamentje, op de voorwerpen zette.

In die eerste tien succesvolle jaren, van 1898 tot 1908, werkt Eisenloeffel al in een verrassend breed scala aan stijlen. Enerzijds gebruikt hij soms precies dezelfde vormen, groter of kleiner, voor verschillende objecten: een klein theebusje groeit uit tot een beschuittrommel, een kan wordt een potje. Maar naast het meer hoekige werk zijn er ook prachtige welvingen, zoals in een koperen bouilloire (ketel voor opschenkwater) die uit een Münchens museum naar Laren is gekomen. Het is een iets eivormig bolletje boven een kleine bolle spiritusbrander op vriendelijke pootjes. Een keteltje om te koesteren - maar als het al te koop was (wat niet zo is) zou het vele duizenden guldens kosten, want het werk van Eisenloeffel is in onze tijd geliefd en duur.

In 1908 vertrok hij voor een tijdje naar München, waar op het gebied van de Nieuwe Kunst ook van alles te beleven was. Hij experimenteerde er onder meer met venster-email, een erg moeilijke techniek om kleurrijke, doorschijnende vlakken te maken, bijvoorbeeld in metalen lampekappen. Bij zijn terugkomst, later in hetzelfde jaar, gingen hij en zijn vrouw in Blaricum wonen, in een huis met atelierruimte.

Na die Münchense reis zijn Eisenloeffels oude idealen van simpele vormen en betaalbare voorwerpen op de achtergrond geraakt. Hij blijft nog wel met socialisten verkeren en krijgt opdrachten uit vakbondskringen. Ook komt hij in 1914 weer in Amsterdam wonen, waar hij aan het Rokin een winkel annex werkplaats (met wel tien man personeel) opent. Maar zijn werk wordt minder sober. Zijn nieuwe decoratiezucht leeft hij uit in lampen en juwelenkistjes. Een Rotterdamse reder, A.J.M. Goudriaan, is vanaf 1918 jarenlang zijn belangrijkste opdrachtgever.

Een kolossale tafelklok die hij maakt voor de Art Déco-tentoonstelling van 1924 in Parijs, vormt het hoogtepunt in Eisenloeffels decoratieve stijl. Hij is op de tentoonstelling te zien, en hij is ronduit afschuwelijk. Gemaakt van brons met rood en groen emaille, heeft hij door je oogharen gezien de vorm van een éénogig monster dat wijdbeens, de armen gespreid, op je af komt. Opmerkelijk genoeg is het gevaarte na de Tweede Wereldoorlog gekocht door het Stedelijk Museum van Amsterdam, dat toen bestierd werd door Willem Sandberg - een aankoop die op zijn minst getuigt van een brede kijk.

Lang niet alles wat Eisenloeffel na 1908 maakte, was zo druk en lelijk. Soms was het zelfs prachtig, zoals het zilveren theeservies uit 1918 dat ook op de tentoonstelling te zien is. Je kunt het traditioneel noemen met zijn zeskantige vormen en de Arabisch aandoende emaille-decoraties. Misschien is het weinig vernieuwend. Maar waarom zou een theeservies, met zijn komfoor, zijn suikerpot en zijn lepelvaasje (alleen Nederlandse theeserviezen hebben lepelvaasjes) in hemelsnaam vernieuwend moeten zijn? Waar het om gaat is dat het origineel en stijlvol is.

In 1956 werd, nog steeds onder Sandbergs regime, Eisenloeffels tachtigste verjaardag gevierd in het Stedelijk Museum. In 1957 overleed de oude edelsmid die eens zo'n groot vernieuwer was geweest. Het is merkwaardig dat pas nu, bijna veertig jaar later, de eerste overzichtstentoonstelling en een fraai, uitvoerig boek aan de de man en zijn werk zijn gewijd.