Beroep op 'kleine lettertjes' drastisch beperkt

Ondernemingen en andere organisaties maken bij het sluiten van overeenkomsten met hun afnemers (en soms ook met hun leveranciers of andere relaties) nogal eens gebruik van standaardcontracten. Daarbij moet u niet alleen denken aan documenten die er echt als een contract uitzien - met stempels en handtekeningen en zo - maar ook aan betrekkelijk sobere bevestigingen, bonnetjes, reçu's e.d. waarop, vaak in kleine lettertjes, contractuele voorwaarden worden vermeld. Soms staan die voorwaarden zelf op papier, maar vaak wordt alleen verwezen naar 'algemene voorwaarden' die ergens zijn gedeponeerd, ter inzage gelegd of anderszins verkrijgbaar gemaakt.

Wat is nu het effect van dergelijke 'kleine lettertjes'? Kan degeen die daarmee aankomt, zich daar werkelijk op beroepen? Sedert de inwerkingtreding van drie nieuwe boeken uit het Burgerlijk Wetboek, in dit geval met effect sedert 1 januari 1993, is dat nog maar in zeer beperkte mate zo. Als hoofdregel schrijft de wet voor dat 'algemene voorwaarden' duidelijk aan de andere partij kenbaar moeten zijn gemaakt.

In beginsel moet dat gebeuren door de tekst vóór of bij de overeenkomst aan de andere partij ter hand te stellen. Bovendien geldt in overeenkomsten met particulieren dat een hele waslijst van in de wet opgesomde condities als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt. En aan onredelijk bezwarende condities mag men de ander niet houden. Dat laatste geldt overigens niet alleen ten opzichte van particulieren - maar voor particulieren geeft de wet gedetailleerd aan, welke condities er zoal als onredelijk bezwarend moeten worden aangemerkt. Onredelijk bezwarend zijn bijvoorbeeld - als regel - condities die de wettelijke aansprakelijkheid van de leverancier belangrijk beperken, of condities waardoor de termijn waarbinnen men zijn rechten geldend moet maken, aanmerkelijk wordt verkort.

Maar daar houdt het niet mee op. In twee recente beslissingen van de Hoge Raad waren gevallen aan de orde die (nog) niet onder de nieuwe wet vielen. Ook in die gevallen liet de Hoge Raad een zeer kritische houding ten aanzien van 'kleine lettertjes' blijken. Het eerste geval betrof een levering van bouwmaterialen, door een handelaar in bouwmaterialen, aan een particulier. De particulier weigerde de betaling en vorderde van zijn kant schadevergoeding, omdat het geleverde niet deugdelijk zou zijn geweest. De leverancier beriep zich onder andere op een bepaling in de leveringsvoorwaarden die aansprakelijkheid voor gebrekkigheid van geleverde goederen uitsloot.

Daartegenover stelde de afnemer weer dat een beroep op die voorwaarde onredelijk was. De rechter die de zaak in hoger beroep beoordeelde, vond dat niet. Hij besliste dat de gronden waarop de afnemer zich had beroepen “niet toereikend” waren om de leverancier te beletten, een dergelijke voorwaarde overeen te komen.

Dat accepteerde de Hoge Raad niet. De appelrechter had de verschillende omstandigheden die de afnemer ter onderbouwing van de onredelijkheid van deze leveringsconditie had aangevoerd, alle bij zijn oordeel in aanmerking moeten nemen (en blijkbaar nader moeten uitleggen hoe hij die omstandigheden had afgewogen). De kwalificatie 'niet toereikend' vond de Hoge Raad kennelijk niet toereikend.

Dan het tweede geval: in een verzekeringspolis stond dat het recht op uitkering in elk geval zou vervallen als de verzekerde niet uiterlijk zes maanden nadat de maatschappij uitkering had geweigerd, een procedure aanhangig had gemaakt.

Het ging om (forse) brandschade aan een bedrijfshal. De verzekeringsmaatschappij had geschreven dat zij die schade niet wilde vergoeden omdat zij van mening was dat de brand door de verzekerde was aangestoken. De verzekerde wachtte (veel) meer dan zes maanden met het starten van een procedure. Een van de vragen in die procedure was natuurlijk of de verzekeringsmaatschappij zich op de termijn van zes maanden mocht beroepen. Ook hier vond de appelrechter dat aanvaardbaar, maar de Hoge Raad niet.

De Hoge Raad nam als uitgangspunt dat de in Nederland levende rechtsovertuiging mede bepalend is voor wat redelijk is. Dat staat met zovele woorden in het sedert 1992/1993 geldende Burgerlijk Wetboek; maar dat gold, stilzwijgend, ook daarvóór al. Voor wat de in Nederland levende rechtsovertuiging op het onderhavige punt was, vond de Hoge Raad een aanwijzing in de uitspraken van de Raad van Toezicht voor het Schadeverzekeringsbedrijf. Die Raad - een lichaam dat erop toeziet dat verzekeraars zich gedragen overeenkomstig de goede naam van het verzekeringsbedrijf - had geoordeeld dat een verzekeraar zich niet overeenkomstig de goede naam van het verzekeringsbedrijf gedraagt, als hij zich beroept op een korte vervaltermijn, zonder zijn verzekerde te hebben gewaarschuwd dat hij dat van plan was. Dat laatste had de verzekeraar in de onderhavige zaak niet gedaan.

De Hoge Raad vond dat het oordeel van de Raad van Toezicht over wat met de goede naam van het verzekeringsbedrijf strookt, óók maatgevend kan zijn voor de in Nederland levende rechtsovertuiging, en daarmee: voor wat als redelijk kan gelden. Dus kon de verzekeringsmaatschappij zich niet in redelijkheid beroepen op de vervaltermijn uit zijn polisvoorwaarden.

Het is nog niet zo ver dat 'kleine lettertjes' spoedig van het toneel zullen verdwijnen. Maar wie zich op 'kleine lettertjes' wil beroepen, moet er wel rekening mee houden dat hem op dat punt een zeer kritische ontvangst te wachten staat.