Angst en oorlogsdreiging verbeeld in jaren dertig

Een Kunstolympiade in Amsterdam. Reconstructie van de tentoonstelling D.O.O.D 1936. Gemeentearchief, Amsteldijk 67, Amsterdam. Dag. 11-17 u. T/m 19 mei. Catalogus ƒ 49,50, 144 pag.

Het heeft maar kort bestaan, van 1912 tot 1948: de Kunstolympiade, een aan de Olympische Spelen gekoppelde wedstrijd in de schone kunsten, waarbij schilders, schrijvers, musici en architecten goud, zilver en brons konden winnen. Alle kunstenaars mochten aan deze competitie deelnemen, er waren geen restricties. Behalve in het jaar 1936, toen de Olympische Spelen in Berlijn werden gehouden en veel kunstenaars van deelname werden uitgesloten, om hun politieke overtuiging of omdat ze joods waren.

De Berlijnse Kunstolympiade leidde tot een internationaal protest, overal werden kunstenaars opgeroepen de manifestatie te boycotten en geen werk in te zenden. In Amsterdam werd, onder de sinistere titel D.O.O.D. (De Olympiade Onder Dictatuur) zelfs een alternatieve olympiade georganiseerd, voor kunstenaars die in Berlijn geen kans maakten. Tegelijk was deze expositie bedoeld als een aanklacht tegen de Duitse nazi-terreur. Behalve kunst werden er ook foto's en documenten getoond die een indruk moesten geven van de Duitse 'kultuurschending', van de censuur, rassentheorieën en jodenvervolging, concentratiekampen, Hitlerjugend en militaire propaganda.

De tentoonstelling was een initiatief van de in 1935 opgerichte Bond van Kunstenaars ter Verdediging van de Kulturele Rechten (BKVK) en van het Comité ter Bescherming van de Olympische Gedachte (BOG). Op hun viertalige oproep tot deelname aan de expositie reageerden 150 kunstenaars uit Nederland, België, Frankrijk, Engeland, Zweden, Tsjecho-Slowakije en de Verenigde Staten. In totaal werden 300 werken ingezonden: tekeningen, grafiek, foto's, schilderijen en sculpturen van onbekende maar ook veel bekende kunstenaars, zoals bijvoorbeeld Max Ernst, Paul Citroen, Osip Zadkine, Fernand Léger, George Vantongerloo, Otto Freundlich, Charley Toorop en Frans Masereel. Van een Duitse inzending kon natuurlijk geen sprake zijn, maar er deden wel veel uit Duitsland gevluchte kunstenaars mee, onder andere van het in Parijs opgerichte Kollektiv Deutscher Künstler.

De tentoonstelling die op 1 augustus 1936 in het gebouw De Geelvinck aan de Amsterdamse Singel werd geopend, wekte onmiddellijk de woede op van de Duitse zaakgelastigde in Nederland. Volgens hem was het geëxposeerde 'één brok ophitsing' tegen Duitsland, bovendien 'in hoge mate beledigend voor het Duitse staatshoofd'. Hij stelde alles in het werk om de Nederlandse regering zover te krijgen dat ze de expositie zou verbieden. Zo ver kwam het niet, maar op last van de Amsterdamse burgemeester en de minister van Justitie werd tot drie keer toe 'Duitsvijandig materiaal' verwijderd, ondermeer karikaturen van Hitler en Goebbels en tekeningen van Duitse werkkampen en folterkamers, gemaakt door Karl Schwesig die 16 maanden in Duitsland in de gevangenis had gezeten en een van de eersten was die de gruwelpraktijken van het Derde Rijk in beeld bracht.

Aan de huidige ambassadeur van Duitsland, Wilhelm Haas, viel nu, zestig jaar later, de eer te beurt in het Amsterdamse Gemeentearchief de reconstructie van de D.O.O.D-tentoonstelling uit 1936 te openen. Met de opmerking dat de Nederlandse politici destijds niet de enigen waren in Europa die de nationaal-socialistische politiek volledig onderschatten, refereerde hij aan de censuur die de Nederlandse autoriteiten, onder druk van Duitsland, op de tentoonstelling toepasten.

Dat er toch nog genoeg werk overbleef met een onverholen anti-nazistische strekking bewijst de herhalingsoefening in het Gemeentearchief. De oorspronkelijke expositie was weliswaar tweemaal zo groot, maar wat nu aan kunstwerken en documentatie bijeen is gebracht, geeft toch een goede indruk van wat er toen te zien was. En dat was niet opbeurend. Of het nu om de surrealistische doeken van Max Ernst gaat, getekende dagboekbladen van Melle, spotprenten van Henk Henriët en Albert Hahn jr., een serie prenten van Zweedse kunstenaars, houtsnedes van Duitse ballingen als Gerd Arntz - van veel werk op de tentoonstelling gaat een beklemmende dreiging uit.

Doodshoofden, geweerkolven, kanonslopen, dolken, prikkeldraad, geklauwde monsters, martelingen, verdrukte massa's, weggevreten gezichten en lugubere soldatentronies roepen een sfeer op van angst en gevaar. Dat wordt nog eens versterkt door de overheersende beeldtaal van de jaren dertig, waarin gedekte, donkere kleuren en bonkige vormen een zwaarmoedig realisme tot uitdrukking brengen. Crisistijd en oorlogsdreiging zijn overal voelbaar op deze tentoonstelling en van de kunstenaars kan in elk geval niet worden gezegd dat ze blind waren voor het onheil in de wereld, of dat ze het nationaal-socialisme hebben onderschat.

Hoewel alle stijlen en kunstrichtingen uit de jaren dertig vertegenwoordigd zijn en de tentoonstelling een interessante dwarsdoorsnede geeft van de beeldende kunst uit die tijd, zijn abstracte en surrealistische werken toch duidelijk in de minderheid. De compositie van warrelende kleurvlakjes die Otto Freundlich inzond, doet hier bijna lichtzinnig aan en hetzelfde geldt voor de overigens schitterende Compositie (1936) van Auguste Herbin. Onder de toenmalige Nederlandse inzending (150 werken van 73 kunstenaars) bevond zich geen enkel abstract beeld of schilderij. Maar die inzending bevat wel diverse verrassingen, zoals een kleine, melancholieke ets van Paul Citroen en een surrealistisch schilderij van Willy Boers. De grote afwezigen onder de Nederlanders zijn Willink en Mondriaan, die in 1936 geen werk inzonden.

De tentoonstelling besluit met een zaal vol documentatie die een afspiegeling is van het documentaire gedeelte uit 1936. Deze documentatie, met ondermeer tekeningen en foto's van toen al bestaande concentratiekampen, moest aantonen 'tot welke noodlottige cultuur-vernietiging' het nazisme zou leiden. Voor wie zijn ogen niet sloot, slaagden de organisatoren daar uitstekend in: de teksten, foto's en tekeningen roepen een afschrikwekkend beeld op van een diepgezonken regime.

De reconstructie van de Amsterdamse Kunstolympiade wordt in het Gemeentearchief overzichtelijk en met heldere toelichtingen gepresenteerd. Bij de uitvoerige catalogus is een facsimile-uitgave ingesloten van het veel bescheidener catalogusje uit 1936.